De migratieparadox: Hoe we onszelf economisch en demografisch in de voet schieten met het strengste asiel en migratiebeleid ooit
Dit rapport analyseert de structurele spanningen en tegenstrijdigheden in het hedendaagse Europese asiel- en migratiebeleid, met bijzondere aandacht voor België. De centrale vaststelling is dat het streven naar een steeds strenger migratiebeleid haaks staat op de huidige economische en demografische uitdagingen. De politieke ambitie om de instroom drastisch te beperken is in directe tegenspraak met de toenemende afhankelijkheid van migratie. In vergrijzende, hoogopgeleide economieën is migratie geen vrijblijvende beleidskeuze maar een structurele noodzaak. Strenge migratiebeperkingen remmen de economische groei en productiviteit, zetten de sociale bescherming onder druk en hollen het democratisch vertrouwen uit door beloftes van minder migratie die niet ingelost kunnen worden. Waar het beleid eenzijdig focust op afschrikking en inperking dwingt de sociaaleconomische realiteit beleidsmakers er uiteindelijk altijd toe om de achterdeur voor arbeidsmigratie wijd open te zetten. Zo leidt een strenger beleid in bijna alle gevallen tot méér migratie. Pogingen om migratie drastisch in te perken werken daarom economisch, sociaal en democratisch zelfondermijnend.
““They can be citizens of the highest type, or they can be an army driven by suffering to take what they need. On their future treatment will depend the course they will be forced to take.” ”
“ “Het nobelste deel van de mens is zijn paspoort. Een paspoort ontstaat ook niet zomaar, niet zo kinderlijk eenvoudig als een mens. Een mens kan overal ontstaan […] een paspoort niet. Daar krijgt hij, als het een goeie is, ook erkenning voor, terwijl een mens nog zo goed kan zijn maar toch niet wordt erkend.” ”
De migratieparadox: harde retoriek botst op demografische en economische realiteit.
Inleiding
Als het over asiel en migratie gaat, zijn negatieve associaties en stereotyperingen nooit veraf: de asielzoeker, vluchteling of migrant komt alleen maar naar hier om onze sociale zekerheid leeg te zuigen. Of – in tegenstrijd met de voorgaande opvatting – hij/zij komt naar hier om onze jobs te stelen en de lonen te drukken. Die negatieve clichés maken dat zowel de toon als de praktijk van het migratiebeleid in heel Europa extreem verruwd zijn: meer en meer lidstaten vaardigen wetten uit die een ‘vijandige omgeving’ creëren en migranten moeten afschrikken. Verschillende staten voeren bovendien opnieuw grenscontroles in tussen de Schengenlanden en pleiten voor een gedeeltelijke opschorting van het EU-asielrecht. Het achterliggende idee is steevast dat migratie een halt moet toegeroepen worden. Alsof migratie überhaupt iets is dat met een pennenstreek gestopt kan worden, en niet voornamelijk gedreven wordt door externe schokken (i.e. oorlog, conflict, politieke repressie, economische malaise, klimaatverandering, etc.) of nauw samenhangt met de economische conjunctuurcyclus en de vraag naar arbeid in de ontvangende economieën.
Ook de Belgische regering maakt zich sterk het “strengste asiel- en migratiebeleid ooit” te voeren. Op het einde van de legislatuur moet dat een besparing van ruim anderhalf miljard euro opleveren voor de staatskas (ruim méér dan de 500 miljoen euro die de meerwaardebelasting zou moeten opbrengen). Daartoe zal de regering onder andere het opvangnetwerk voor asielzoekers verder inperken, de ‘wachtlijst’ voor asielzoekers die recht hebben op een opvangplaats institutionaliseren, lokale opvanginitiatieven (LoI’s) afbouwen, legale en veilige wegen als hervestiging en gezinshereniging inperken of afschaffen, een dwingender terugkeerbeleid voeren, medische hulp beperken (tenzij die strikt noodzakelijk is), juridische pro deo bijstand voor vluchtelingen in twijfel trekken, en asielzoekers voortaan vijf jaar laten wachten alvorens ze aanspraak kunnen maken op een leefloon. Verder is er ook sprake van de herinvoering van grenscontroles, de verdubbeling van de capaciteit in gesloten centra, het voorwaardelijker maken van de verblijfsvergunning, en het bemoeilijken van de Belgische nationaliteitsverwerving. Ook huisbetredingen van mensen in onwettig verblijf worden opnieuw mogelijk gemaakt. En zelfs het leger en drones zullen voortaan ingezet worden bij het “indammen van illegale migratiestromen.”i
Het streven naar minder migratie gaat echter voorbij aan het feit dat de geavanceerde economieën zich in een demografische herfst bevinden en dat de winter op komst is. Hoge-inkomenslanden vergrijzen in snel tempo, met arbeidstekorten in cruciale sectoren zoals de gezondheidszorg, horeca, bouwnijverheid, transport, industrie, en informatietechnologie tot gevolg. De ongemakkelijke waarheid is dat onze welvarende, vergrijzende en hoogopgeleide samenlevingen een ingebouwde en structurele vraag naar (arbeids)migranten ontwikkeld hebben. Het uitgangspunt van de discussie moet dus niet de wenselijkheid maar wel de noodzakelijkheid van migratie zijn.
Het bovenstaande confronteert Europese staten met een ogenschijnlijk dilemma: terwijl (extreem)rechtse partijen elkaar electoraal beconcurreren door haat en vijandigheid tegenover migranten en migratie te cultiveren, slinkt door de vergrijzing verhoudingsgewijs de groep werknemers die de pensioenen betaalt en de welvaartsstaat ondersteunt. Met andere woorden: terwijl de Belgische regering pronkt met het “strengste asiel- en migratiebeleid ooit,” dreigt ze zich met dit beleid vooral sociaal en economisch in de eigen voet te schieten. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat migranten in regel meer bijdragen aan een maatschappij dan ze eraan onttrekken en dus mee de welvaart en het welzijn van het aankomstland schragen. Bovendien maken migranten het probleem van de vergrijzing beheersbaarder: meer economische activiteit en een hogere tewerkstelling zijn de beste garanties voor de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid. Actieve migratie draagt dus onweerlegbaar bij aan het economisch succes van een land.
Daarom zou het debat zich niet moeten richten op het koste wat kost verlagen van de instroom, maar wel op het optimaal benutten van het positieve potentieel van migratie. De beste manier om dit te doen is door migranten en asielzoekers versneld in te schakelen op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Toegang tot taal, onderwijs, werk en huisvesting vormen daartoe de voornaamste katalysatoren. Investeringen in versnelde inschakeling lonen: in tijden van vergrijzing en structurele arbeidskrapte tonen de ervaring van landen als Spanje dat migratie geen last of kostenpost hoeft te zijn, maar net een hefboom voor groei en innovatie kan zijn. Dat alles pleit voor een meer genuanceerde en rationele omgang met asiel en migratie en voor een beleid dat veilige en legale migratieroutes niet afbouwt maar net uitbouwt.
I. Demografische en economische uitdagingen: migratie als bedreiging of als noodzakelijke pijnstiller?
Volgens recente prognoses van het Federaal Planbureau zal de oudere bevolking de komende jaren sneller aangroeien dan de bevolking op arbeidsleeftijd, waardoor stijgende sociale en gezondheidsuitgaven gedragen moeten worden door een in verhouding kleiner wordende groep werkenden of actieven. Dat komt in belangrijke mate omdat het ‘natuurlijk saldo’ in België, d.w.z. de geboorten minus sterfgevallen, negatief dreigt te worden vanaf het einde van de jaren 2030.ii Gevolg daarvan is dat de actieve bevolking tussen nu en 2070 (het eindpunt van de prognoses) enkel en alleen door migratie enigszins op peil gehouden zal worden. Het Planbureau rekent daarvoor op een migratiesaldo van minstens 30.000 personen per jaar.
Een versnellende vergrijzing impliceert ook een stijgende ‘afhankelijksheidsratio’, de verhouding van de bevolking van 67 jaar en ouder ten opzichte van de bevolking op arbeidsleeftijd (tussen 18 en 66 jaar): als er in 2024 voor elke 100 inwoners op arbeidsleeftijd nog 28 personen van 67 jaar en ouder staan, zal dit aantal volgens de prognoses in 2040 verder oplopen tot 37 en in 2070 tot zelfs 43 gepensioneerden voor elke 100 werkenden (zie Figuur 1). Een hoge afhankelijkheidsratio is vooral zorgwekkend omdat het de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat onder druk zet: een relatief kleine groep werkenden moet immers de pensioenen en groeiende zorg- en gezondheidsuitgaven van een relatief grote groep ouderen financieren.iii Het voornemen van deze regering om de migratie-instroom fors in te perken impliceert echter dat die afhankelijkheidsratio in de toekomst nog hoger dreigt uit te vallen.
Fig. 1: De Vergrijzing doet de afhankelijkheidsratio van ouderen fors oplopen.
Migratie bepaalt in belangrijke mate de evolutie en grootte van onze toekomstige actieve bevolking. Ook vandaag al bestaat er een groot verschil in de leeftijdsstructuur van inwoners met de Belgische nationaliteit en inwoners zonder (zie Figuren 2a en 2b). Zonder migratie dreigt de Belgische bevolkingspiramide dus heel erg wankel te worden: enkel de top heeft tegenwoordig nog een piramidevorm, en die rust op een steeds smallere basis van actieven.
Fig. 2a: structuur van de bevolking per leeftijdsgroep en geslacht: inwoners van België met Belgische nationaliteit.
Fig. 2b: structuur van de bevolking per leeftijdsgroep en geslacht: inwoners van België zonder Belgische nationaliteit.
In een snel vergrijzende samenleving fungeren migranten dus bijna letterlijk als een steunpilaar voor de verzorgingsstaat. In een scenario met geen of lage netto-migratie dreigen de oplopende financiële lasten daarentegen gedragen te moeten worden door een slinkende en uitdunnende groep werkenden. Bovendien dreigt een dergelijk scenario de kwaliteit van de publieke voorzieningen verder uit te hollen door de toenemende tekorten op de arbeidsmarkt. De vergrijzing heeft immers ook een invloed op de vraag naar arbeidskrachten: een oudere bevolking leidt ook tot een grotere vraag naar werknemers in de gezondheidszorg en de zorgsector, terwijl tegelijk het aanbod aan werkers daalt. Dit alles werpt de vraag op: is het wel wijs om migratie (te) sterk aan banden te willen leggen?
Een snelle vergrijzing confronteert niet alleen België maar ook de andere Europese lidstaten met uitdagingen. Hoewel het totale vruchtbaarheidscijfer in de EU naar verwachting licht zal stijgen (van 1,50 levendgeborenen per vrouw in 2022 naar 1,62 in 2070) blijft het in alle landen onder het natuurlijke vervangingscijfer van 2,10 liggen. In de meeste EU-lidstaten zal een hogere participatiegraad (via langer werken en meer mensen aan het werk zetten) daarom niet volstaan om de verwachte afname van de bevolking op arbeidsleeftijd te compenseren, zo becijferde de Europese Commissie. De Europese beroepsbevolking zal tussen 2022 en 2070 naar alle verwachting met 12% (zo’n 25 miljoen mensen) of 0,3% per jaar afnemen.iv De Europese Unie evolueert snel naar een samenleving met een hogere levensverwachting, een dalend vruchtbaarheidscijfer en een steeds hoger opleidingsniveau.
Dat brengt grote demografische uitdagingen met zich mee: wie zal er de komende decennia nog wonen en werken in de lidstaten, hoeveel mensen zullen dat zijn, met welke vaardigheden – en vooral: wie zal de pensioenen van een vergrijzende bevolking blijven betalen?v Tegelijk ontstaat een paradox: een langgeschoolde bevolking, opgeleid voor een kenniseconomie, is steeds minder bereid om laagbetaald en arbeidsintensief werk te doen, terwijl het net dat werk is dat steeds essentiëler wordt voor het functioneren van onze samenleving.
In veel Europese lidstaten zien we daarom zeer gelijkaardige maar enigszins absurde debatten ontstaan: enerzijds breken beleidsmakers zich het hoofd over de nijpende arbeidsmarktkrapte en structurele personeelstekorten, over de betaalbaarheid van de pensioenen en de verzorgingsstaat, en over het behoud van de economische groei en welvaart, terwijl men anderzijds, onder druk van (extreem)rechtse partijen, migratie zo strikt mogelijk wil reguleren en aan banden leggen. Die bezorgdheden kunnen niet los van elkaar gezien worden, maar zijn net inherent met elkaar verbonden: een lager migratiesaldo doet de relatieve last van de zorg- en pensioenuitgaven stijgen, omdat een lagere instroom van migranten de beroepsbevolking en dus ook de economische groei doet afnemen.1 De ongemakkelijke waarheid is dan ook dat in snel vergrijzende economieën het voeren van een actief immigratiebeleid onvermijdelijk is: het aantrekken van extra buitenlandse werknemers is simpelweg noodzakelijk wil men de groei en welvaart behouden, ook al ligt dat mogelijk politiek gevoelig.vi
De versnellende vergrijzing is dan ook één van de belangrijkste redenen waarom de Nederlandse Adviesraad Migratie een scenario met lage netto-migratie resoluut afraadt. In december 2023 voerde de Adviesraad een verkennend onderzoek uit naar de bijdrage die migratie kan leveren om de komende demografische en economische uitdagingen te helpen verzachten. Concreet ging het om de vraag in welke mate arbeidsmigratie de stijging van de ‘grijze druk’ of de afhankelijkheidsratio (de verhouding tussen gepensioneerden en actieven) kan matigen, de omvang van de (potentiële) beroepsbevolking kan vergroten en het welvaartsniveau (gemeten als het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking) kan helpen stabiliseren. De conclusies van de adviesraad zijn stellig: arbeidsmigratie kan een fors matigend effect hebben op de verwachte stijging van de grijze druk, tot een aanzienlijke groei van de potentiële beroepsbevolking leiden en het welvaartsniveau helpen verhogen — op voorwaarde dat nieuwkomers ingezet worden in (hoog)productief werk of over complementaire kennis en vaardigheden beschikken die aansluiten bij de behoeften van de economie en de bestaande arbeidsmarkt. Het rapport maakt verder duidelijk dat een netto-instroom van 50.000 (tijdelijke) arbeidsmigranten per jaar ongeveer hetzelfde matigende effect zou hebben op de grijze druk als de in Nederland voorziene verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar 68 jaar in 2039 en 69 jaar in 2052, en een driemaal zo groot effect zou opleveren in het vergroten van de potentiële beroepsbevolking dan de geplande verhoging van de pensioenleeftijd.vii Kortom: op vlak van vergrijzing en de economische uitdagingen die daarmee gepaard gaan, kan migratie functioneren niet als geneesmiddel, maar wel als belangrijke ‘pijnstiller’.
Migratie: lust of last voor overheidsfinanciën?
Het inzicht dat migratie een netto-bijdrage kan leveren aan de sociale zekerheid is niet nieuw, maar dringt zich des te sterker op in een vergrijzende economie met structureel krappe arbeidsmarkten. In een publicatie van november 2020 stelde de Nationale Bank van België (NBB) zich al de vraag of België wint of verliest bij migratie. In het rapport onderzocht de NBB daarom de impact van migratie op de overheidsfinanciën voor de periode tussen 2012 en 2016. Het besluit? Ten opzichte van een basisscenario zonder recente immigratie had de gemeten migratie-instroom een positieve invloed op het bruto binnenlands product (bbp), dat met 3,5 procent toenam, waarbij de groei viel toe te schrijven aan zowel EU- als niet-EU-immigranten (die respectievelijk 2 en 1,5 procent bijdroegen). Met andere woorden: immigratie creëerde extra economische groei. Ondanks de hardnekkige mythe die het tegenovergestelde beweert, bracht de gemiddelde migrant in die periode dus meer op aan belastingen dan hij kostte aan uitkeringen en voorzieningen.
De analyse van de NBB wijst er verder echter op dat de nettobijdrage van migranten aan de Belgische overheidsfinanciën in sterke mate bepaald werd door hun positie op de arbeidsmarkt: migranten van de eerste generatie (personen geboren buiten België en zonder Belgische ouders) droegen in hun berekeningen gemiddeld net iets minder bij dan Belgen, voornamelijk als gevolg van de lagere tewerkstellingscijfers en inkomensniveaus die de groep kenmerken, terwijl tweedegeneratiemigranten (geboren in België met minstens één buitenlandse ouder) net een hógere netto-bijdrage optekenen dan mensen zonder migratie-achtergrond, vooral dankzij hun jongere leeftijdsstructuur en hogere participatiegraad. Tegelijkertijd merkte het rapport op dat België binnen de EU één van de landen met de laagste scores op het gebied van arbeidsmarktintegratie van migranten was. In 2019 was slechts 61% van de immigranten tewerkgesteld, bijna 12 procentpunten minder dan Belgen zonder migratieachtergrond. Persoonlijke kenmerken konden bovendien slechts een klein deel van die kloof verklaren. Structurele factoren zoals taalbarrières, beperkte erkenning van buitenlandse diploma’s, discriminatie en een remmend beleid speelden een veel grotere rol. Het rapport concludeert daarom dat beleidsmaatregelen gericht op het verlagen van die structurele drempels essentieel zijn om de arbeidsmarktintegratie van nieuwkomers te verbeteren en het on(der)benut economisch potentieel van deze groep extra aan te boren. Het verhogen van de werkzaamheidsgraad van migranten is dus een cruciale hefboom om hun economische en fiscale bijdrage te verdiepen en verbreden.
Sinds het verschijnen van het NBB-rapport is er wel een forse inhaalbeweging zichtbaar. Volgens cijfers van de Vlaamse overheid is de tewerkstellingsgraad in Vlaanderen bij eerstegeneratiemigranten van buiten de EU toegenomen van 43,4 procent in 2010 tot 58,8 procent eind 2024 (zie Figuur 3). Bij eerstegeneratiemigranten van binnen de EU is er dan weer een stijging merkbaar van 46,0 procent naar 64,0 procent. Beide migratiegroepen zijn op de Vlaamse arbeidsmarkt dus bezig aan een flinke inhaalbeweging ten opzichte van mensen van Belgische herkomst (een toename van de tewerkstellingsgraad met 15,4 procentpunt resp. 18 procentpunt voor mensen met een migratieherkomst versus een toename van de tewerkstellingsgraad met 6,8 procentpunt voor mensen van Belgische afkomst). Ook in de werkloosheidscijfers verkleint de kloof doorheen de jaren. Het aandeel officiële werklozen bij eerstegeneratiemigranten van buiten de EU halveerde in ongeveer tien jaar tijd van 14,7 procent naar 6,7 procent. Bij nieuwkomers van binnen de EU daalde dat van 7,5 naar 4 procent. Die positieve dynamiek is in belangrijke mate toe te schrijven aan het feit dat krappe arbeidsmarkten en de ‘war on talent’ de kost van discriminatie fors verhogen. Anders gezegd: in een situatie van krappe arbeidsmarkten vinden nieuwkomers vlotter een job en stijgt ook hun economische bijdrage.
Fig. 3: Stijgende tewerkstellingsgraad van migranten.
De NBB-studie ontkrachtte ook het argument dat de instroom van nieuwkomers negatieve effecten op de werkgelegenheid, lonen of het welvaartsniveau van de bevolking zonder migratieachtergrond uitoefent. Een eerste factor die kan verklaren waarom migratie, ondanks het feit dat immigratie het arbeidsaanbod vergroot, toch geen negatief effect heeft op deze indicatoren, is omdat migranten niet alleen het arbeidsaanbod vergroten, maar ook een positief effect hebben op de vraag naar goederen en diensten in een economie, en dus de winstgevendheid van potentiële investeringen verhogen. Dit betekent dat extra migratie niet noodzakelijk een drukkend effect op de lonen of de werkgelegenheid hoeft te hebben: omdat migratie ook de vraag naar extra goederen en diensten voedt — migranten zijn ook consumenten —, zal ook de totale omvang van de economie toenemen, en daarmee ook de vraag naar extra arbeid. Het extra arbeidsaanbod wordt zo ‘geabsorbeerd’ door de extra economische activiteit die door migratie wordt gecreëerd.
Bovendien hebben migranten en Belgen zonder migratieachtergrond veelal een verschillend arbeidsprofiel: ze zijn niet volledig ‘inwisselbaar’ op de arbeidsmarkt. Ze verschillen qua opleiding, ervaring en beroepsprofiel, wat wijst op een eerder complementaire dan concurrentiële verhouding. Bovendien zijn er aanwijzingen dat de toestroom van migranten lokale werknemers vlotter doet doorschuiven naar beter-betaalde jobs met hogere taal- en communicatievereisten of meer complexe taken.viii Toegenomen migratie opent zo mogelijkheden tot upskilling voor de bevolking zonder migratieachtergrond, wat de arbeidsdeling en specialisatie binnen de economie als geheel bevordert. Migratie helpt niet-migranten dus om ingeschakeld te worden in productiever werk.ix De grootste slachtoffers van verdringing op de arbeidsmarkt zijn daarom niet de lokale bevolking maar wel migranten die zich al eerder in België vestigden (en een gelijkaardig(er) arbeidsprofiel vertonen met de nieuwkomers), zo besluit ook de NBB-analyse.
Daarbij aansluitend is het overigens een mythe om te veronderstellen dat het aantrekken van ongeschoolde of kortopgeleide profielen niet langer nodig of wenselijk zou zijn en dat het migratiebeleid zich louter moet richten op het selectief aantrekken van hoogopgeleide ‘high potentials’ (ingenieurs, artsen, onderzoekers, directeurs, managers, …). De Europese en Belgische arbeidsmarkt blijft immers structureel afhankelijk van een breed spectrum aan vaardigheden, inclusief kort- en middengeschoolde arbeidsprofielen. Door de stijging van het gemiddelde opleidingsniveau, de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen de afgelopen decennia en de voortschrijdende vergrijzing is het aanbod aan korter opgeleide arbeidskrachten de voorbije decennia aanzienlijk gedaald, terwijl de vraag naar dergelijke profielen niet is afgenomen — integendeel. Kortgeschoolde migranten vervullen vaak essentiële ‘achter-de-schermen-jobs’ die vaak moeilijk te automatiseren zijn of fysiek belastende arbeid vereisen. Denk bijvoorbeeld aan orderpickers in magazijnen, seizoenarbeiders in de land- en tuinbouwsector, machinestellers in de voedsel- en vleesverwerkingssector, leveranciers in de bezorging- en transportsector, of cruciaal personeel in de horeca en toerismesector, de beautysector, en de medische en zorgsector. De corona-epidemie vormde een pijnlijke illustratie van die blijvende afhankelijkheid: toen het sluiten van de grenzen en de lockdowns de arbeidsmobiliteit deden stilvallen, stokte de voedselvoorziening, liepen logistieke ketens vast, kwam de zorgsector in de problemen en volgende er een forse opstoot in inflatie.
Ook in Vlaanderen blijft de arbeidsmarkt erg krap, ook voor kortgeschoolde functies: de VDAB identificeerde in haar Knelpuntberoepenlijst van 2025 maar liefst 251 moeilijk in te vullen jobs. Daaronder tal van technische beroepen (zoals onderhoudsmecaniciens, technici industriële installaties, machinebouwers en techniekers van werf- en landbouwmachines), maar evenzeer verschillende kortgeschoolde functies, zoals schoonmakers aan huis, medewerkers in de fruitteelt, horecapersoneel, kamerpersoneel, personeel in de kinderopvang en zorg en diverse logistieke profielen.x Ook de recentste ‘migratielijst voor middengeschoolde functies’ van de Vlaamse overheid telt 29 functies waarvoor onvoldoende kandidaten op de eigen arbeidsmarkt te vinden zijn.xi Een realistisch, doordacht en toekomstbestendig migratiebeleid moet daarom niet enkel hoogopgeleide profielen aantrekken, maar ook inspelen op de hardnekkige tekorten aan kort- en middengeschoolde arbeidskrachten.
De ‘kosten’ en ‘baten’ van migratie: een internationaal perspectief
Verschillende recente internationale studies bevestigen de vaststellingen van de Nationale Bank dat migratie, indien goed beheerd, geen kostenpost vormt maar wel een nettobijdrage kan leveren aan de financiering van de welvaartsstaat. Zo ondernam de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor haar International Migration Outlook 2021 een vergelijkende analyse van 25 OESO-landen over de periode 2006–2018 waaruit blijkt dat immigranten in vrijwel alle onderzochte landen meer bijdroegen via belastingen en sociale premies dan zij ontvingen aan uitgaven voor sociale bescherming, gezondheidszorg en onderwijs.xii
Hoewel de per capita bijdragen van immigranten over het algemeen iets lager lagen dan die van personen zonder migratieachtergrond, besteedde de overheid per capita gewoonlijk ook minder aan immigranten dan aan personen zonder migratieachtergrond. De structurele netto impact van immigratie op het begrotingssaldo was voor de meeste landen in de onderzochte periode dan ook overwegend positief tot neutraal, met een gemiddelde bandbreedte van -1 procent tot +1 procent van het bbp. De waargenomen verschillen in fiscale bijdrage hingen in belangrijke mate samen met de demografische kenmerken van de migrantenpopulatie —een overwegend jonge, werkende migrantenpopulatie heeft uiteraard een positiever effect op de economische groei dan een oudere of niet-actieve groep—, en met de mate van hun arbeidsmarktintegratie, zowel qua werkgelegenheid als loonniveau.
Daarmee bevestigde het OESO-rapport de cijfers over de mogelijke begrotingsimpact van migratie die de Cambridge econoom Robert Rowthorn berekende in 2008 op basis van een uitgebreide review van studies: afhankelijk van de demografische context en de individuele kenmerken van de gemiddelde nieuwkomer, liggen schattingen van de netto fiscale bijdrage van immigratie doorgaans binnen een marge van ±1 procent van het bbp.xiii
Dat de fiscale impact van migranten gedurende hun levenscyclus sterk afhankelijk is van hun inkomensniveau, leeftijd bij aankomst en verblijfsduur, stelde ook het Britse Office for Budget Responsibility (OBR) vast in een recente analyse waarbij ze de nettobegrotingsimpact van een gemiddelde migrant probeerde te becijferen.xiv Daarbij gaat de onafhankelijke instelling ervanuit, op basis van bevolkingsprognoses van het Office for National Statistics (ONS), dat een gemiddelde migrant bij instroom in het Verenigd Koninkrijk (VK) een leeftijd heeft van ongeveer 25 jaar. Een illustratieve migrerende werknemer die op deze leeftijd naar het Verenigd Koninkrijk komt én het gemiddelde Britse salaris verdient, levert zo goed als meteen een netto fiscale bijdrage voor de begroting op (zie: de groene lijn in figuur 4).
Fig. 4: Cumulatieve fiscale impact migranten (VK)
Fig. 4: Cumulatieve fiscale impact migranten (VK).
Terwijl een gemiddelde migrant al vanaf zijn tweede verblijfsjaar meer bijdraagt dan hij ontvangt, zal een gemiddelde inwoner van het VK gedurende zijn eerste levensfase een fiscale last voor de begroting betekenen, omdat hij of zij in die periode wel al bepaalde diensten ‘consumeert’ (zoals onderwijs en gezondheidszorg) maar nog niet werkt en nog geen belastingen betaalt. Een gemiddelde Brit zonder migratieachtergrond zal zo pas een netto-inkomst voor de staatskas genereren rond zijn veertigste levensjaar (zwarte lijn in de figuur). Aangezien de gemiddelde migrant op alle latere leeftijden minder gebruik zal hebben gemaakt van openbare diensten dan een vergelijkbare persoon die in het Verenigd Koninkrijk is geboren en opgeleid, zal de balans tot op zeer hoge leeftijd in het voordeel van de migrant uitslaan: pas op 92-jarige leeftijd zal de gemiddelde migrant meer aan uitkeringen ontvangen dan hij aan belastingen heeft betaald.
De uiteindelijke begrotingsimpact van migratie hangt uiteraard nauw samen met de hoogte van het loon waaraan migranten tewerkgesteld worden: waar de bijdrage van een migrant die het gemiddelde Britse loon ontvangt, bijna zijn hele levensloop positief blijft, zal de impact van een laagbetaalde migrant (die minder dan de helft van het gemiddelde Britse loon ontvangt) veeleer negatief uitvallen. Dat is uiteraard niet geheel onverwacht: de meeste geavanceerde economieën hebben een progressief belastingstelsel uitgebouwd met hogere belastingschalen hogerop de inkomensladder. Net als andere groepen met een lager inkomen, draagt een gemiddelde migrant met een laag loon dus ook minder bij aan de verzorgingsstaat dan een gemiddelde migrant die een hoger loon of inkomen ontvangt.
Wat we zeker weten: hogere drempels = lagere welvaart
Een belangrijk knelpunt blijft de lagere arbeidsparticipatie onder migranten van niet-Europese herkomst. Het dichten van de participatiekloof tussen migranten op arbeidsleeftijd en Belgen zonder migratieachtergrond met een vergelijkbaar profiel (leeftijd, geslacht en opleidingsniveau) zou in één op de drie OESO-landen de totale nettobijdrage van migranten kunnen verhogen met meer dan een derde procentpunt van het bbp. In België zou het dichten van de werkgelegenheidskloof het bbp zelfs met meer dan een half procentpunt kunnen verhogen.xv Dat vergt echter structurele investeringen in het verdiepen van de arbeidsmarktintegratie van recent aangekomen en reeds gevestigde migranten. Vooral gerichte activeringsmaatregelen en intensieve her- en bijscholing blijken in dit verband effectief en kennen een hoog maatschappelijk rendement. De keerzijde van die vaststelling is dat het verhogen van de drempels voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt net groeivertragend en welvaartsondermijnend werkt. Belangrijke drempels zijn bijvoorbeeld een trage of de niet-erkenning van diploma’s of bestaande kwalificaties, te hoge taalvereisten, een beperkte toegang tot kinderopvang, de hoge kostprijs voor bijscholing of het volgen van (beroeps)opleidingen, het aanbieden van slechts beperkte financiële, administratieve en logistieke ondersteuning en dienstverlening, het toekennen van onzekere, tijdelijke of precaire verblijfsstatuten, en discriminatie en stereotypering op de arbeids- en huurmarkt.
Toch is ook hier een bescheiden kentering zichtbaar. In de meeste OESO-landen valt recent een structurele verbetering van de arbeidsmarktpositie van migranten waar te nemen, stelt de OESO vast in haar 2024 International Migration Outlook rapport.xvi Terwijl in de nasleep van de COVID-19-pandemie aanvankelijk nog een scherpe terugval in de arbeidsparticipatie van migranten zichtbaar was, heeft zich sinds 2021 een robuust herstel ingezet. Deze positieve trend zette zich ook door in 2023 (het laatste jaar met geharmoniseerde cijfers waarover het rapport bericht): het gemiddelde tewerkstellingsniveau onder migranten in de OESO bereikte 71,8 procent, de hoogste tewerkstellingscijfers ooit, terwijl de gemiddelde werkloosheid onder migranten daalde tot 7,3 procent (zie Tabel 1). Die cijfers weerspiegelen niet alleen een opnieuw aantrekkende conjunctuur na de coronapandemie, maar ook de structureel toenemende rol van migranten in het ondersteunen van economische activiteit. In veel OESO-landen daalt het aantal langdurig werklozen onder migranten bovendien sneller dan onder de bevolking zonder migratieachtergrond. Al zijn daar ook uitzonderingen op, waaronder België. Ook inzake de arbeidsmarktintegratie van Oekraïense vluchtelingen na de Russische inval scoort België ondermaats in vergelijking met de andere landen in de analyse.
Tabel 1: Arbeidsmarktsituatiemigranten in OESO-landen (2023).
Ook het IMF besluit in haar recentste World Economic Outlook rapport dat “migranten en vluchtelingen —die doorgaans een aanzienlijk lager leeftijdsprofiel hebben dan de autochtone bevolking— economische voordelen kunnen genereren die zwaarder wegen dan de budgettaire kosten en zelfs de druk op de overheidsfinanciën verlichten, mits zij goed worden geïntegreerd op de arbeidsmarkt”.xvii In een eerdere analyse concludeerde het IMF al dat de macro-economische baten van migratie, zeker in vergrijzende geavanceerde economieën, substantieel zijn en dat zogenaamde ‘dynamische voordelen’ —een stijging van de tewerkstelling, de arbeids- en kapitaalproductiviteit en de investeringsgraad— zich op relatief korte termijn kunnen manifesteren, zelfs bij een erg plotse en hoge instroom. Belangrijk om daarbij op te merken, aldus het rapport, is dat de gemaakte beleidskeuzes doorslaggevend zijn in het al dan niet realiseren van die potentiële welvaartswinsten: een inclusief en activerend beleid dat inzet op opleiding, her- en bijscholing en het verlenen van vlotte arbeidsmarkttoegang hangt nauw samen met een hogere werkgelegenheidsgroei en hogere economische groei, terwijl een strenger immigratiebeleid dat de toegang tot werk of een opleiding beperkt, gepaard gaat met een lagere arbeidsparticipatie en lagere economische groei.xviii
Buitenlandse arbeidskrachten: motor van EU economische groei?
In een recente analyse benadrukt ook de Europese Centrale Bank (ECB) dat een aanzienlijk deel van de economische groei in de Eurozone sinds de coronapandemie toe te schrijven is aan migratie en het aantrekken van buitenlandse werkkrachten. Buitenlandse werknemers compenseerden de negatieve demografische effecten van een snel vergrijzende en krimpende beroepsbevolking en functioneerden zo als hefboom voor economische groei, stellen ECB-onderzoekers. Bovendien is de positie van buitenlandse arbeidskrachten op de arbeidsmarkt ook sterk verbeterd, wat zich weerspiegeld in een dalende werkloosheid, een stijging in hun opleidingsniveau en een afname van de ‘overkwalificatiegraad’ onder migranten, waar ze een job uitvoeren onder het niveau van hun diploma.xix
De meest recente Eurostat-cijfers bevestigen dit verhaal. In een context van structureel krappe arbeidsmarkten zorgt de instroom van buitenlandse werkkrachten voor een robuuste en broodnodige groei van het arbeidsaanbod. Tussen het derde kwartaal van 2021 en het derde kwartaal van 2025 steeg het totaal aantal mensen (tussen 20 en 64 jaar) die aan de slag waren in de Europese Unie met 3,65% (zie Figuur 5a), wat overeenkomt met bijna zeven miljoen extra werkenden. Voor de overgrote meerderheid gaat het daarbij om migranten: mensen geboren in het ene EU-land en werkzaam in een ander EU-land enerzijds, en werkenden die van buiten de EU komen anderzijds. Vandaag zijn er ten opzichte van 2021 liefst 6,4 miljoen méér mensen aan de slag in een land in de Europese Unie die niet in dat land geboren zijn. Dat betekent een stijging met 8,6% voor intra-EU-arbeid, en een stijging met liefst 34,3% voor niet-EU-arbeid (zie Figuur 5a).xx Hoewel de werkloosheidscijfers (Figuur 5b) voor buitenlandse werknemers (6,5% voor intra-EU-arbeid en 10,1% voor niet-EU-arbeid) aanzienlijk hoger blijven dan het werkloosheidscijfer voor nationale werknemers (5,0%), is de werkloosheidgraad voor niet-EU-werknemers wel sterker afgenomen dan die voor nationale werknemers: met 2,2 procentpunt ten opzichte van het derde kwartaal van 2021, tegenover een daling van 0,9 procentpunt bij nationale werknemers.
Fig. 5a: Evolutie van het aantal werkenden naar geboorteland.
Fig. 5b: Werkloosheidsgraad naar geboorteland.
II. De holle retoriek van een migratiestop
Migranten zijn dus niet alleen nuttig, maar ook onmisbaar — veel meer dan sommige politici willen doen geloven. Vooral radicaal- en rechts-populistische partijen herhalen steeds opnieuw dat ze “de grenzen zullen sluiten,” “migratie zullen stoppen,” en de “instroom drastisch zullen inperken.” Maar zodra deze partijen regeringsverantwoordelijkheid dragen, blijkt hun beleid veel minder streng dan beloofd. Vaak gebeurt zelfs het tegenovergestelde: de netto-immigratie neemt toe, niet af (zie Figuur 6). Eenmaal aan de macht worden dus ook radicaal-rechtse of migratiekritische partijen geconfronteerd met de demografische trend van een versnellende vergrijzing die West-Europese economieën steeds afhankelijker maakt van buitenlandse arbeidskrachten, met internationale juridische verplichtingen en de grendels van de rechtsstaat die fundamentele mensenrechten beschermen, en met een economische realiteit die pragmatische keuzes vergt. Het resultaat? Een grote kloof tussen de harde, restrictieve retoriek en de zachtere beleidspraktijk, tussen wat publiekelijk wordt beloofd en wat economisch noodzakelijk blijkt. Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet: migratie te strikt weren werkt immers economisch en demografisch zelfondermijnend.
Fig. 6: Immigratie in procent van de bevolking.
De schijnbare contradictie in het migratiebeleid komt in belangrijke mate voort uit de zogenaamde ‘(il)liberale migratieparadox’ in politieke democratieën,xxi waarbij regeringen gewrongen zitten tussen twee tegenstrijdige logica’s: aan de ene kant stimuleert globalisering handel, investeringen en arbeidsmigratie en vragen werkgeverslobby’s en het respecteren van de mensenrechten om een relatief open en liberaal beleid. Aan de andere kant willen politici hun kiezers bedienen met de belofte van strikte controle, veiligheid en bescherming van de nationale identiteit. Om een concurrentieel en competitief voordeel te behouden, moeten regeringen hun economieën en samenlevingen dus openstellen voor handel, investeringen en migratie. Maar in tegenstelling tot goederen, kapitaal en diensten brengt het vrije verkeer van personen grotere politieke risico’s met zich mee omdat de spontane bewegingen van personen over nationale grenzen heen botst met de logica van het internationale statensysteem, die een zekere territoriale geslotenheid veronderstelt. Dit maakt dat de economische logica er een is van openheid, terwijl de politieke en administratieve logica eerder richting geslotenheid stuurt. Omdat democratische regeringen voortdurend moeten laveren tussen die economische noodzaak van openheid en de politieke druk tot geslotenheid heerst er een structurele kloof tussen retoriek en beleid: politieke discussies over immigratie, die vooral gericht zijn op het nationale publiek, zullen vaak restrictiever zijn dan het uiteindelijk gevoerde beleid, waarin ook rekening wordt gehouden met de eisen van bedrijven en werkgeverslobby’s, demografische en economische noden of internationale normen.xxii
Het migratiebeleid is in dat opzicht een soort ‘evenwichtsspel’: democratisch verkozen politici worden constant gedwongen om economische belangen, internationale mensenrechtenverdragen en verzuchtingen van het bedrijfsleven (die om voldoende werknemers vragen) af te wegen tegenover de (oprechte of geconstrueerde) bezorgdheden van de burgerbevolking over migratie. Omdat meerdere (impliciete) belangen en doelstellingen verzoend moeten worden, heeft het uiteindelijke gevoerde beleid onvermijdelijk altijd de vorm van een pragmatisch en onsamenhangend compromis.xxiii Deze discrepantie is geen toevallige incoherentie, maar het gevolg van een fundamentele spanning tussen politieke logica en economische noodzaak. Democratische regeringen laveren tussen electorale druk, nationale identiteitsvragen en internationale verplichtingen enerzijds, en structurele afhankelijkheid van migratie voor groei en welvaart anderzijds. Het resultaat is een ‘migratietrilemma’, of een keuzemenu van drie onderling onverenigbare beleidsdoelstellingen of -verplichtingen: 1) de luid verkondigde politieke wens om migratie in te perken, 2) de economische en demografische noodzaak van het verzekeren van voldoende arbeidskrachten, en 3) het honoreren en hooghouden van fundamentele mensenrechten en rechtsstatelijke beginselen, ook voor migranten en asielzoekers (zie Figuur 7).
Het ‘migratietrilemma’.
Het gevolg is dat politici kiezers vaak tevredenstellen met verbaal spierballengerol, terwijl ze stilzwijgend en via de achterdeur een meer open beleid voeren. Sommige wetenschappers wijzen er dan ook op dat de gehanteerde harde retoriek niet in de eerste plaats bedoeld is om migratie werkelijk aan banden te leggen, maar vooral een ‘symbolische functie’ vervult, waarbij “gekozen leiders en bureaucraten steeds vaker hun toevlucht nemen tot symbolische beleidsinstrumenten om de schijn van controle te wekken.”xxiv Dit betekent dat verscherpte grenscontroles of beleid dat zich specifiek richt tegen bijvoorbeeld asielzoekers niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met beleid dat ook de feitelijke toegangs- en verblijfsrechten van alle categorieën migranten inperkt. Het is daarom nuttiger om ‘het’ migratiebeleid te analyseren in termen van een ‘beleidsmix’ van verschillende toelatingskanalen die op elkaar inwerken en zo de richting, omvang, samenstelling en timing van migratie beïnvloeden, en waarbij sommige kanalen selectief geopend worden en andere worden dichtgedraaid.xxv Een steeds belangrijker onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen de humanitaire motivatie om vluchtelingen die bescherming zoeken toe te laten en de economische motivatie om migrantenarbeiders toe te laten die het tekort aan arbeidskrachten opvullen. In tegenstelling tot de forse retoriek over het terugdringen van de instroom lijkt de essentie van een ‘streng’ migratiebeleid dus eerder gericht te zijn op het aanscherpen van bepaalde selectiecriteria en toegangsvoorwaarden, eerder dan het ‘totale volume’ fors in te perken, wat immers simpelweg zou neerkomen op economische zelfverminking.
De consequentie van de ‘(il)liberale migratieparadox’ is daarom dat migranten veelal als pionnen gebruikt worden in een cynisch en retorisch machtsspel dat voornamelijk gericht is op machtsvergaring en electorale competitie terwijl het effectieve beleid een eerder beperkt effect heeft op de totale instroom. Wat ondertussen wel ontstaat is een hiërarchie van mensenlevens waarbij bepaalde categorieën migranten in toenemende mate als ‘hinderlijk’ en ‘onwenselijk’ gezien worden (i.e. asielzoekers en vluchtelingen) terwijl voor andere categorieën migranten (i.e. economische arbeidsmigranten) net extra legale routes en toegangswegen worden uitgestippeld.
Gevalstudie 1.
Het Verenigd Koninkrijk na Brexit: niet minder, maar net meer migratie
Het Verenigd Koninkrijk voor en na Brexit vormt een bijzonder sterk voorbeeld van de (il)liberale migratieparadox. Bezorgheden over migratie speelden immers een sleutelrol in het succes van de Brexit-campagne en in de beslissing van het Verenigd Koninkrijk om de Europese Unie te verlaten. Slogans als ‘Take Back Control’ en beloftes om “de boten te stoppen” stonden voorop in de campagne. Berucht is onder andere de poster van de United Kingdom Indepence Party (UKIP) waar boven een menigte Syrische vluchtelingen in hoofdletters de woorden “Breekpunt” geschreven stonden en die opriep “los te breken uit de EU en de controle over onze grenzen te herstellen.” “Het totale aantal migranten zal dalen, en we zullen ervoor zorgen dat het Britse volk altijd de controle behoudt,” zo beloofde ook het Manifesto van de Conservatieve partij nog in 2019.xxvi Brexit-voorstanders benadrukten dus sterk dat het verlaten van de Europese Unie de beste kans bood om de controle over migratie en de eigen grenzen te ‘heroveren’. Vlak voor het referendum gaven veel kiezers bijgevolg ook toe dat migratiebeperkingen de voornaamste reden waren om vóór een vertrek uit de EU te stemmen.xxvii
Het getuigt bijgevolg van een sterk staaltje dramatische ironie dat de instroom van immigranten na de Brexit niet afnam, maar net op alle vlakken historisch hoge toppen scheerde. In januari 2021 werd een nieuw immigratiesysteem op punten ingevoerd ter vervanging van het vrije verkeer van goederen en personen met de EU. Sindsdien gelden voor EU-burgers die naar het Verenigd Koninkrijk emigreren dezelfde immigratieregels als voor burgers uit de rest van de wereld. Maar hoewel de EU-immigratie sterk terugliep, en er sinds 2022 zelfs meer EU-burgers emigreren uit het Verenigd Koninkrijk dan erheen immigreren, wordt dat meer dan gecompenseerd door de sterke groei in het aantal personen van buiten de EU dat migreert naar het Verenigd Koninkrijk (zie Figuur 8). Terwijl de immigratie van niet-EU-burgers in de jaren 2012-2016 schommelde tussen de vijftigduizend en honderdduizend immigranten per jaar (tegenover tweehonderd- à driehonderdduizend EU-burgers), kunnen we in de jaren na Brexit een sterke stijging vaststellen, tot pieken van één miljoen niet-EU-immigranten in 2022 en 2023, om voor het jaar eindigend in juni 2025 terug te vallen tot bijna 400.000 immigranten: een scherpe daling ten opzichte van de voorgaande twee jaren, maar nog steeds veel hoger dan het pre-Brexit gemiddelde.xxviii Ondanks de dure beloftes lijkt de instroom van migranten dus niet significant teruggelopen te zijn, integendeel. De ene categorie migranten (EU-burgers) werd simpelweg vervangen door een andere categorie migranten (niet-EU burgers), die bovendien in hogere getallen het VK binnenkwamen. In 2024 vormden Indiase staatsburgers bijvoorbeeld veruit de grootste groep inwijkelingen, gevolgd door Pakistaanse en Chinese staatsburgers.
Ook op het vlak van irreguliere migratie was er een sterke toename zichtbaar. Terwijl in 2018 slechts 299 irreguliere bootovertochten over het Kanaal werden gemeld, was dat aantal in 2023 gestegen tot 29.437, met een piek van 45.774 meldingen in 2022. En ook het aantal asielaanvragen steeg sterk: in 2024 werden 84.200 asielaanvragen geregistreerd, het hoogste aantal sinds de vorige piek in 2002, toen er 84.100 aanvragen gemeld werden.xxix
De oorzaken van de verhoogde instroom
De sterke stijging van de netto-migratie na Brexit was het rechtstreekse gevolg van een reeks beleidsliberaliseringen onder de opeenvolgende conservatieve regeringen. Terwijl het op 1 januari 2021 nieuw ingevoerde puntensysteem — onder leiding van toenmalig eerste minister Boris Johnson — wel degelijk restrictiever werd voor EU-burgers, werden de toelatingscriteria voor niet-EU burgers versoepeld, onder meer door de invoering van lagere salaris- en kwalificatie-vereisten. Om in het Verenigd Koninkrijk te mogen werken moesten niet-EU-burgers in het oude systeem een baan op universitair niveau uitvoeren en een minimumsalaris van £ 30.000 per jaar verdienen. In het nieuwe systeem daarentegen konden ook niet-hogeropgeleiden een visumaanvraag indienen en werd de minimale salarisvereiste verlaagt tot £ 25.600 per jaar, met bijkomende versoepelingen voor seizoenarbeiders en voor functies in de zorg- en toeristische sector.
Bovendien voerde de Britse regering ook nieuwe visumroutes in: zo werd bijvoorbeeld een werkroute na de studie (Graduate Visa Route) ingevoerd waardoor internationale bachelorstudenten na afronding van hun studie maximaal twee jaar en master- en doctoraatsstudenten maximaal drie jaar in het land konden blijven om te werken, werden er soepele werkvisa verleend aan medewerkers in de gezondheids- en ouderenzorg (Health and Care Workers Visa) en werden er speciale humanitaire visa verleend aan Oekraïners en inwoners van Hongkong. Ten slotte gingen Britse universiteiten ook actiever buitenlandse studenten ronselen om een antwoord te bieden op hun verslechterende financiële situatie. Vooral het grote tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten, voornamelijk in de gezondheids- en zorgsector en de landbouw en toeristische sector, maakte het blijvend aantrekken van buitenlandse werknemers noodzakelijk.
Een deel van de verklaring voor de blijvende nood aan buitenlandse werkkrachten ligt ook in de sterk teruglopende vruchtbaarheidscijfers in het VK: omdat steeds meer mensen ervoor kiezen om op latere leeftijd kinderen op de wereld te zetten, en kiezen voor kleinere gezinnen, zijn de geboortecijfers in Engeland en Wales in vrije val: het totale vruchtbaarheidscijfer daalde verder van 1,42 kinderen per vrouw in 2023 naar 1,41 in 2024. Dit cijfer is het laagste voor het derde opeenvolgende jaar en sinds het begin van de registratie ongeveer 90 jaar geleden.xxx
Fig. 8: Netto migratie naar het Verenigd Koninkrijk.
Opvallend is daarnaast ook dat het restrictievere beleid voor EU-burgers onbedoeld leidde tot meer permanente vestiging. Waar Oost-Europese migranten vroeger vaak ‘circulair’ of heen-en-weer migreerden, besloten velen na 2020 om permanent te blijven, omdat tijdelijke terugkeer en herintrede bemoeilijkt werden. Zoals migratie-onderzoeker Hein de Haas stelt, bevordert een streng migratiebeleid op die manier eerder permanente vestiging, wat de migratie-paradox nog versterkt: beleid dat gericht is op een beperking kan de netto-immigratie net blijvend verhogen.
Recente verstrenging en vooruitzichten
De Britse conservatieve regering onder leiding van Rishi Sunak kondigde eind 2023 wel opnieuw een reeks verstrengingen aan om de immigratie terug te dringen, waaronder strengere regels voor internationale studenten en hogere inkomensdrempels voor werkvisa. Mede door deze verstrengingen daalde de immigratie van buiten de EU van de piek van meer dan één miljoen personen in 2023 tot minder dan 400.000 niet-EU-burgers in het jaar eindigend in juni 2025, vooral het resultaat van een afname van het aantal buitenlandse studenten dat komt studeren en werken in het VK. In dezelfde periode versnelde ook de netto-uitstroom van EU-burgers die vóór Brexit naar het Verenigd Koninkrijk waren verhuisd, maar nu het land alsnog vaarwelzeggen.xxxi Het netto-resultaat is echter nog een steeds een netto-immigratiesaldo dat fors hoger ligt dan voor de uittrede uit de EU, en de officiële projecties van het Office for National Statistics (ONS) voorspellen dat de netto-immigratie minstens tot 2028 rond de 340.000 personen zal blijven schommelen, structureel hoger dan vóór de Brexit.xxxii Daarmee illustreert het Verenigd Koninkrijk erg mooi de (il)liberale migratieparadox: een politiek project dat voortkwam uit de wens om migratie sterk te reduceren, resulteerde uiteindelijk niet in de beloofde lagere, maar wel in een sterk verhoogde netto-instroom, zij het dan in toenemende mate van niet-EU-burgers in plaats van EU-burgers (zie Figuur 8).
De Labour-regering onder leiding van Keir Starmer kondigde eind mei 2025 wel nog een verdere verstrenging van het asiel- en migratiebeleid aan.xxxiii In navolging van de eerdere verstrengingen is die erop gericht om de meeste versoepelingen in het immigratiebeleid na Brexit terug te draaien.xxxiv Volgens de huidige plannen zullen vluchtelingen die asiel zoeken in het Verenigd Koninkrijk, naar analogie met het Deense model (zie infra, gevalstudie 3), in de toekomst slechts tijdelijk in het land mogen verblijven en zal hun status op geregelde tijdstippen opnieuw geëvalueerd (en mogelijk ingetrokken) worden. Momenteel geldt de vluchtelingenstatus in het Verenigd Koninkrijk voor vijf jaar, waarna vluchtelingen een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur kunnen aanvragen en een traject naar staatsburgerschap kunnen doorlopen. De nieuwe hervorming moet die periode van bescherming fors inkorten en mogelijk maken dat de verblijfsstatus ingetrokken wordt van zodra het thuisland als veilig wordt beschouwd.
Een impact assement of effectbeoordeling door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken van een beperkt deel van de nieuwe verstrengingen —namelijk de verstrenging van de visumregels voor geschoolde werknemers en zorgpersoneel— die in juli werd opgesteld maar pas eind 2025 publiek werd gemaakt,xxxv concludeerde nochtans dat de cumulatieve kosten van het verder inperken van de migratie-instroom van geschoolde werknemers en zorgpersoneel over een periode van vijf jaar (2025-2030) tussen de 2,2 en 10,8 miljard pond zou bedragen, met als meest realistische schatting een verlies van 5,4 miljard pond: de opbrengsten uit visa zouden dalen met ongeveer 500 tot 800 miljoen pond, terwijl het verlies aan belastinginkomsten kan oplopen van minstens 1,4 tot liefst 9,5 miljard pond. Daarmee maakt het Britse ministerie van Binnenlandse zaken dus zelf helder duidelijk dat de keuze voor nieuwe verstrengingen economisch in eigen vlees snijden is.
Gevalstudie 2.
Italië onder Meloni: straffe taal, maar met de achterdeur wijd open
Ook Italië onder Giorgia Meloni vormt een bijzonder interessante case in hoe radicaal-rechtse partijen omgaan met de onoplosbare spanning tussen politieke geslotenheid en economische openheid. Haar partij Fratelli d’Italia won in september 2022 de verkiezingen met een uitgesproken anti-migratieagenda, waarbij ze onder andere beloofde een einde te maken aan ‘illegale’ migratie door een ‘zeeblokkade’ op de Middellandse Zee op te werpen die bootvluchtelingen moest onderscheppen en onverbiddelijk moest terugsturen naar de kusten van Noord-Afrika. Tijdens de campagne beloofde Meloni ook alleen nog erkende vluchtelingen toe te laten. Voor ‘economische migranten,’ ‘gelukzoekers’ en ‘illegale migranten’ was voortaan geen plaats meer in Italië. Meloni stelde zich daarbij expliciet op als de verdediger van nationale zelfbeschikking tegenover wat zij zag als een falend Europees migratiebeleid. Maar in een ongemakkelijk spreidstand combineert Italië onder haar bewind net erg strenge anti-immigratiestandpunten (vooral gericht tegen asielzoekers en vluchtelingen) met een groeiende economische afhankelijkheid van arbeidsmigranten.
Begrenzende taal en beleidsmaatregelen
Onder Meloni’s regering is de toon over vluchtelingen en migranten sterk verruwd. In haar publieke communicatie heeft haar regering het steevast over een “ongekende noodsituatie” die de nationale veiligheid bedreigt. Die framing liet haar ook toe een reeks “buitengewone maatregelen” te treffen om de migratiecrisis het hoofd te bieden. De restrictieve kant van Meloni’s regering laat zich bijgevolg kenmerken door symbolisch geladen en mediagenieke decreten, gericht op het indammen van irreguliere en andere vormen van migratie en door een assertieve externe migratiediplomatie, gericht op het uitbesteden van grenscontroles, reddingsacties en opvang van vluchtelingen aan andere, vaak niet-Europese landen.
Een eerste belangrijke verordening van die aard was bijvoorbeeld het zogenaamde ‘anti-NGO-decreet,’ dat reddingsoperaties van bootvluchtelingen op de Middellandse Zee door niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) sterk moest beperken (onder meer door reddingschepen te verplichten opgeviste bootvluchtelingen enkel te laten ontschepen in ‘verre havens’ in Midden- en Noord-Italië en door nieuwe technische verplichtingen op te leggen aan de gebruikte schepen waardoor een groot deel van de bestaande vloot onbruikbaar werd).xxxvi Tegelijkertijd werden ook de straffen voor mensensmokkel sterk verhoogd, en dat in zulke brede bewoordingen dat ook humanitaire reddingsacties potentieel strafbaar werden: “eenieder die, in strijd met de bepalingen van deze geconsolideerde wet, het vervoer van vreemdelingen op het grondgebied van de staat bevordert, leidt, organiseert, financiert of uitvoert” kon voortaan veroordeeld worden tot dertig jaar gevangenisstraf.xxxvii
Een tweede belangrijke maatregel, het ‘decreet van Cutro,’ aangenomen na een schipbreuk nabij het Calabrische stadje Cutro waarbij 94 migranten verdronken, verscherpte en verstrengde de normale asielprocedures door een versnelde behandeling en detentie mogelijk te maken van asielzoekers uit als veilig bestempelde herkomstlanden, d.w.z. met een laag percentage aan erkende asielaanvragen. Het decreet liet toe dat asielzoekers uit dergelijke landen voortaan opgesloten konden worden in detentiecentra in afwachting van hun erkenning of gedwongen terugkeer naar hun land van herkomst. In oktober 2023 werd door een opvolgende verordening, bekend als ‘Cutro 2’, ook de bescherming van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen aanzienlijk ingeperkt: migranten die de leeftijd van 16 jaar bereikt hadden, konden voortaan tot vijf maanden worden vastgehouden in detentiecentra voor volwassenen. In dat verband ondertekende de Italiaanse regering op 6 november 2023 ook een overeenkomst met Albanië voor de bouw van twee ‘offshore’ detentiecentra langs de Albanese kust. Het idee daarachter was om asielzoekers die door de Italiaanse kustwacht en marine uit de Middellandse Zee geplukt werden en uit als veilig gedefinieerde landen afkomstig waren, daarheen te deporteren in afwachting van hun asielprocedure. Ondertussen hebben echter zowel nationale rechtbanken als het Europese Hof van Justitie (ECJ) al bepaald dat de unilaterale aanmerking door Italië van verschillende herkomstlanden als ‘veilig’ strijdig is met bestaande EU-wetgeving.xxxviii
Andere beruchte migratiedeals zijn die met Tunesië en Libië. In juli 2023 reisde Meloni in het gezelschap van de toenmalige Nederlandse premier Mark Rutte en Europees Commissievoorzitter Ursula von der Leyen naar Tunesië om er een door mensenrechtenorganisaties sterk bekritiseerde migratiedeal officieel te ondertekenen. In navolging van de Turkijedeal engageert Tunesië zich binnen die deal om migranten die naar de EU willen doorreizen tegen te houden, in ruil voor financiële steun. Op dat akkoord kwam echter veel kritiek, omdat achteraf bleek dat de Tunesische autoriteiten migranten simpelweg de woestijn in dreven zonder voedsel of water.xxxix De Libië-deal verwijst dan weer naar een overeenkomst tussen Italië en Libië, waarbij Italië (en de EU) financiële en technische steun verlenen aan de Libische kustwacht om migranten op de Middellandse Zee te onderscheppen en terug te slepen naar de Libische kust.xl Het memorandum van overeenstemming, dat aan de basis ligt van het akkoord, werd al in 2017 door Paolo Gentiloni ondertekend maar werd in november 2022 onder Meloni stilzwijgend en zonder verdere aanpassingen verlengd, hoewel mensenrechtenorganisaties ondertussen uitgebreid aangetoond hadden dat migranten die naar Libië teruggestuurd werden, geconfronteerd worden met opsluiting in onmenselijke omstandigheden, foltering, uitbuiting en zelfs mogelijke verkrachting.xli
Straffe taal versus economische pragmatiek
Ondanks de harde anti-migratietaal nam de regering Meloni echter ook opvallend ‘liberale’ maatregelen op het vlak van arbeidsmigratie en het legaliseren van migranten. Via de zogeheten “instroomwet” (Decreto Flussi) keurde de regering in 2023 de toekenning van liefst 452.000 nieuwe werkvergunningen voor niet-EU-burgers goed, over een periode van drie jaar: 136.000 nieuwe vergunningen in 2023, 151.000 in 2024 en 165.000 in 2025.xlii Voor het daaropvolgende instroomplan 2026–2028 werd de uitreiking van nog eens zo’n half miljoen nieuwe werkvisa voorzien.xliii In principe zijn die visa voorbestemd voor werkkrachten die worden ingevlogen uit landen waar Italië een bilateraal akkoord mee sloot. Maar in de praktijk worden ook migranten die per boot aankwamen gelegaliseerd om de openstaande vacatures te vullen.
Om het grote tekort aan arbeidskrachten in Italië aan te pakken kwamen Italië en Tunesië in maart 2024 ook overeen om voor een periode van drie jaar 12.000 Tunesische arbeiders werkvergunningen te verlenen. In April 2024 werd als proefproject dan weer een ‘arbeidscorridor’ onderhandeld met Libanon, Ethiopië en Ivoorkust om ook uit die landen op flexibele wijze potentiële werknemers te mobiliseren.xliv
Gevolg is dat de officiële immigratiecijfers de afgelopen jaren onder de regering-Meloni niet zijn gedaald, maar net zijn blijven doorstijgen (zie: Figuur 9). In 2023 en 2024 schreven maar liefst 440.000 resp. 435.00 nieuwe burgers zich in het land in. De toename van het aantal migranten ten opzichte van 2022 is overigens uitsluitend terug te leiden tot een toename van de buitenlandse immigratie (+13% in de twee jaar ten opzichte van 2022), aangezien de ‘immigratie’ of ‘repatriëring’ van Italiaanse burgers net afnam onder Meloni (-23,6%).xlv
Fig. 9: Evolutie van de immigratie in Italië.
Deze trend symboliseert de structurele afhankelijkheid van Italië van buitenlandse arbeidskrachten in sectoren met aanhoudende tekorten —o.a. landbouw, toerisme, bouw, transport, horeca, telecommunicatie, zorg en industrie— en de druk die uitgaat van werkgeversorganisaties om de instroom aan werkkrachten te verruimen. De ruime versoepelingen in de instroomwet weerspiegelen zo de dringende behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten in een vergrijzende samenleving die kampt met hardnekkige personeelstekorten in verschillende sectoren. Werkgeversorganisaties dringen al jaren aan op een uitbreiding van arbeidsquota, en de post-pandemische context heeft het tekort aan kort- en middengeschoolde arbeidskrachten alleen maar nijpender gemaakt.
Ook hier verklaart de demografische context in belangrijke mate mee het liberale beleidsaccent. Italië bevindt zich namelijk in een demografisch dal, met een vruchtbaarheidscijfer van amper 1,18 kinderen per vrouw —het laagste sinds de eenwording van het land in 1861— en een bevolking waar één op de vier inwoners ouder is dan 65 jaar. In 2024 werden bovendien slechts 370.000 baby’s geboren, terwijl er 281.000 méér sterfgevallen dan nieuwe geboortes werden geregistreerd. Op de koop toe trekt een groeiend aantal vooral jonge mensen weg uit het land op zoek naar andere oorden met meer opportuniteiten. Italië heeft daarom te kampen met een heuse bevolkingskrimp, zo stelt het Nationale statistiekbureau Istat.xlvi
Tegelijkertijd zette Meloni’s regering ook stilzwijgend de bescherming en opvang van Oekraïense vluchtelingen voort en verzekerde hun een onmiddellijke toegang tot werk, onderwijs en gezondheidszorg. Zo ontstaat een duidelijke spanning: terwijl haar regering inzet op de verregaande criminalisering van irreguliere migratie, voert ze tegelijkertijd een relatief open beleid voor economische migranten en (christelijke) Oekraïners. Een toenemende geslotenheid ten opzichte van asielzoekers gaat daarbij gepaard met een selectieve openheid ten aanzien van werkkrachten en van oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne. Ze hanteert daarmee twee lijnrecht tegengestelde visies op migratie: door de instroomwet sterk op te rekken en aan de wensen van de industrie te voldoen, geeft ze feitelijk toe dat de Italiaanse economie niet zonder migranten kan, terwijl ze in haar communicatie migratie wel consequent negatief en afwijzend voorstelt, als een gevaar voor de nationale veiligheid en de nationale zelfbeschikking van Italië.
De sterk communicatieve nadruk op het sluiten van de grenzen verhult in praktijk een structurele afhankelijkheid van migratie en laat in de feiten ruimte voor een brede reeks van uitzonderingen. Maar over die uitzonderingen wordt zo min mogelijk gecommuniceerd. Meloni’s tactiek —harde, repressieve taal over asielzoekers en strategische stilte over de toegenomen arbeidsmigratie— is een beproefde methode die ondertussen door steeds meer Europese regeringen wordt gekopieerd: veel ophef maken over een kleine, gemakkelijk te onderscheiden en makkelijk te demoniseren categorie immigranten om de aandacht af te leiden van het toelaten van buitenlandse werkkrachten op veel grotere schaal.xlvii Kortom, net als het Verenigd Koninkrijk na Brexit moet ook Meloni en haar regering vaststellen dat een harde, nationalistische retoriek over een migratiestop electoraal misschien wel rendeert, maar in de praktijk economisch onhoudbaar en zelfondermijnend blijkt.
Gevalstudie 3.
Denemarken: sociaaldemocratische variant van de migratieparadox
Het Deense migratiebeleid is bijzonder interessant omdat het duidelijk maakt dat de migratiepradox zich niet enkel voordoet bij rechts-radicale partijen en regeringen maar evenzeer speelt bij sociaal-democratische partijen en regeringsleiders. Onder leiding van premier Mette Frederiksen (Socialdemokratiet) profileert de Deense regering zich bijvoorbeeld publiekelijk met harde, symbolische maatregelen en erg restrictief taalgebruik op vlak van asiel en immigratie: van ambitieuze doelstellingen om het aantal asielzoekers tot nul te herleiden, het quasi onmogelijk maken van het verwerven van een permanente verblijfsvergunning tot het voornemen asielprocedures uit te besteden aan derde landen. Het harde anti-migratie taalgebruik maakt deel uit van een langere en ruimere evolutie: aangejaagd door de Deense Volkspartij (Dansk Folkeparti (DF)) kent Denemarken sinds de millenniumwisseling een duaal welvaartsstelsel waarbij universele en onvoorwaardelijke toegang tot de welvaartsstaat voor Denen zonder migratieachtergrond gecombineerd wordt met toenemende toegangsbeperkingen en extra voorwaarden voor immigranten. Zo bedraagt de werkloosheidsuitkering voor vluchtelingen sinds 2010 nog maar ongeveer de helft van wat een Deense staatsburger ontvangt.xlviii De regering-Frederiksen dient dus vooral gezien te worden als een voortzetting en verdere normalisering van een beleid van ‘welvaartschauvinisme’ waarbij verschillende toegangsregels gelden tot de sociale zekerheid en bepaalde publieke diensten naargelang iemands afkomst of culturele achtergrond.xlix
Tegelijk ondervindt de Deense regering dat het land structureel afhankelijk blijft van migratie om belangrijke tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen. Een toenemend agressief en repressief taalgebruik over asielzoekers en immigranten gaat zodoende samen met een sterke toename van het aantal verleende arbeidsvergunningen. Denemarken, thuisland van het ‘welvaartschauvinisme’ en strikte immigratiewetten moet, na jarenlang een restrictief beleid gevoerd te hebben, het roer nu dus omgooien en in toenemende mate werkkrachten aantrekken uit het buitenland. Daarmee belijdt ook Denemarken een vorm van ‘selectieve openheid’: strenge restricties en afschrikking voor asielzoekers en oorlogsvluchtelingen staan tegenover een pragmatische en instrumentele openheid voor economisch noodzakelijke werkkrachten. Zo legt het Deense beleid ook de toenemende contradictie binnen de Europese sociaaldemocratie bloot tussen het aanhangen van een sociaal universalisme en het in praktijk brengen van een vorm van nationaal particularisme waarbij toegang tot de verzorgingsstaat voorbehouden blijft voor wie er reeds aantoonbaar en langdurig aan heeft bijgedragen.
‘Paradigmawissel’: bocht naar een repressief migratiebeleid
Het Deense migratie- en asielbeleid heeft in de voorbije twee decennia een ingrijpende verschuiving doorgemaakt. Ten eerste was er de verandering van het politieke landschap en in het politieke denken van de sociaaldemocraten in het bijzonder. Als gevolg daarvan werd het politieke debat over asiel en migratie niet langer gedomineerd door een klassieke links-rechtstegenstelling maar ontstond een partijoverschrijdende consensus over de nood aan een erg strikt en beperkend immigratiebeleid. Vooral de koerswijziging binnen de Sociaaldemocraten was hierbij doorslaggevend. Reeds tijdens de verkiezingscampagne van Helle Thorning Schmidt in 2015 verscherpte de partij haar toon en taal, maar het is voornamelijk onder leiderschap van Mette Frederiksen, partijvoorzitter sinds 2015, dat de partij een uitgesproken hard en begrenzend migratieprofiel met ‘nativistische’ trekken ontwikkelde.l Kort nadat ze het partijleiderschap had overgenomen, gaf Frederiksen op vlak van asiel en migratie ook aan open te staan voor samenwerking met de radicaal-rechtse Deense Volkspartij (DF).li De nationale verkiezingen van 2019, waarin de sociaaldemocraten campagne voerden met een combinatie van sociaaleconomisch linkse standpunten en harde immigratiestandpunten, worden vaak aangehaald als illustratie van het electorale succes van een dergelijke koers, maar de partij verloor in de jaren nadien wel fors terrein, met een historisch slecht resultaat in de Europese verkiezingen van 2024 en, voor het eerst sinds 1903 (!), het verlies van machtsbastion Kopenhagen in de regionale verkiezingen van 2025.
Beleidsmatig resulteerde deze koerswijziging in wat in Denemarken de ‘paradigmaverschuiving’ is gaan heten. Waar het migratie- en integratiekader vóór 2015 in belangrijke mate gericht was op permanent verblijf en langdurige integratie, werden na 2015 tijdelijke bescherming, intrekking van verblijfsvergunningen en actieve terugkeer het uitgangspunt van de wet- en regelgeving. De officiële Deense asiel- en migratiewetgeving kwam zo steeds dichter te staan bij de oorspronkelijke standpunten en radicaal-rechtse ideeën van de Deense Volkspartij (DF). In toenemende mate werd een tijdelijke verblijfsstatus de norm, kwam de nadruk op een snelle terugkeer te liggen en werden verblijfsrechten structureel afgebouwd.lii
Een eerste belangrijk element van de ‘paradigmaverschuiving’ was de wijziging aan de Vreemdelingenwet (Udlændingeloven artikel 7, lid 3) die het Deens Parlement in 2015, in nasleep van de Syrische burgeroorlog en op het hoogtepunt van de Europese vluchtelingencrisis, invoerde, en die een nieuwe, tijdelijke beschermingsstatus in het leven riep. Daarmee bracht de Vreemdelingenwet een bijkomend onderscheid aan tussen vluchtelingen die in hun thuisland individueel vervolgd werden en vluchtelingen die hun land van herkomst ontvluchtten vanwege de algemene (oorlog)situatie ter plaatse. Voor die laatste categorie vluchtelingen creëerde de wetswijziging een nieuwe, tijdelijke en onzekere beschermingsstatus: voor personen die niet aantoonbaar individueel vervolgd worden zou een verblijfsvergunning voortaan slechts twee jaar geldig blijven waarna de asielaanvraag telkens hernieuwd moet worden, zonder rechtstreeks uitzicht op een permante verblijfsstatus. Vóór 2015 kregen vluchtelingen veelal een verblijfstatus van vijf tot zeven jaar, waarna hun verblijfsvergunning automatisch permanent werd. Met de wetswijziging werd ook het recht op gezingshereniging opgeschort en werd de drempel voor de intrekking van de beschermingsstatus verlaagd: een duurzame en significante verbetering van de veiligheids- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst was niet langer een noodzakelijke voorwaarde om de asielstatus te herzien.
In 2019 keurde het Deense Parlement opnieuw een reeks wijzigingen in de vreemdelingenwet goed, waaronder de invoering van artikel 19a, dat stipuleerde dat alle vluchtelingenvergunningen voortaan van tijdelijke aard zouden zijn en gericht moeten zijn op terugkeer van zodra de omstandigheden dat enigszins toelaten. De tijdelijke beschermingsstatus, ingevoerd in 2015, werd daarmee dus uitgebreid naar alle asiel- en beschermingszoekers. Een permanente verblijfsvergunning kon voortaan pas na minstens 8 jaar aangevraagd worden (waarbij bijkomend ook nog aan strikte integratie- en zelfredzaamheidsvoorwaarden voldaan moet worden, zoals vloeiend Deens spreken, in het bezit zijn van een voltijdse baan, en een gemiddeld jaarinkomen hebben boven een bepaald grensbedrag),liii terwijl de tijdelijke verblijfsstatus van asielzoekers nog vóór het aflopen van de termijn kan worden ingetrokken als de Deense autoriteiten de situatie in het herkomstland als minder problematisch beoordelen dan tjdens de oorspronkelijke aanvraag. Dat is wat ook effectief gebeurde onder ‘project Damascus’: in het voorjaar van 2019 startte de Deense immigratiediensten met het actief intrekken of niet verlengen van de asielstatus van specifieke groepen vluchtelingen uit Syrië. Dat was mogelijk omdat de Deense regering de regio’s Damascus en Rif-Damascus eenzijdig (en tegen de beoordeling van verschillende internationale organisaties in) als ‘veilig’ had gecategoriseerd.liv Met die beleidspraktijk promootte het Deense beleid dus zelf een vorm van onwettig verblijf.
Een andere veelzeggende en controversiële wet die het Deense Parlement op 26 januari 2016 goedkeurde (met steun van de Sociaaldemocraten) is de zogenaamde ‘Juwelenwet’. Die staat toe dat waardevolle bezittingen van vluchtelingen in beslag genomen worden om de kosten van hun onderhoud en verblijf in Deense asielcentra te dekken. Concreet geeft de wet de Deense politie het recht om contant geld of waardevolle voorwerpen van aankomende asielzoekers in beslag te nemen indien die meer dan 10.000 Deense kronen waard zijn (ongeveer 1.340 euro); juwelen met sentimentele waarde, zoals een trouw- of verlovingsring werden vrijgesteld.
Parallel aan de interne verstrenging van het migratiebeleid werd ook geprobeerd de toegang tot asiel verder te beperken door procedures buiten het nationale grondgebied te organiseren. Op initiatief van de sociaaldemocraten werd zo een beleidsplan ontwikkeld waarbij Denemarken, bij voorkeur in samenwerking met andere EU-lidstaten, een detentiecentrum buiten Europa zou oprichten waar aangekomen asielzoekers naartoe gebracht konden worden in afwachting van het doorlopen van hun asielaanvraag. Op basis van dat voorstel heeft Denemarken in juni 2021 ook effectief een wijziging van de Vreemdelingenwet aangenomen (artikel 29), waardoor asielzoekers sindsdien kunnen overgedragen worden aan een derde staat buiten de EU voor de behandeling van hun asielverzoek, om bescherming te genieten in die staat, of om de terugkeer naar hun land van herkomst van daaruit verder te regelen. In dat kader werden ook samenwerkingsverbanden met derde landen zoals Rwanda onderzocht.lv Hoewel dat project tot op heden dode letter bleef, houdt de Deense regering vast aan de visie dat asielaanvragen buiten de eigen landsgrenzen en idealiter ook buiten de EU verwerkt moeten worden.
Het achterliggende doel van bovenstaande wetswijzigingen? Toekomstige asielzoekers afschrikken door het beeld van een onwelkome en onvriendelijke staat op te roepen en duidelijk maken dat ook erkende asielzoekers zo snel mogelijk teruggestuurd zullen worden. De Deense eerste minister heeft daarbij herhaaldelijk verklaard dat het beleid er uitdrukkelijk op gericht is om het aantal asielzoekers tot nul te herleiden.lvi De boodschap is moeilijk mis te verstaan: ‘als je naar Denemarken komt, nemen we je waardevolle bezittingen in beslag, plaatsen we je in (gesloten) terugkeercentra of sturen we je naar een onherbergzame uithoek van de wereld, en als je toch bescherming verdient, is dat slechts tijdelijk en onzeker van aard want zodra we kunnen sturen we je alsnog terug naar je land van herkomst.’
Kortom, onder het premierschap van Mette Frederiksen is het Deense migratiebeleid vervelt tot een expliciet anti-immigratiebeleid waarbij termen als ‘duurzame integratie’ vervangen zijn door ‘zelfredzaamheid’ en ‘terugkeer’ en het openlijk gecommuniceerde streefdoel een ‘asielstop’ is.
Denemarken kon overigens zo ver gaan in de verstrengingen omdat het geen deel uitmaakt van de Eurozone en onderhandeld heeft over verschillende ‘opt-outs’, waardoor het zich kan onttrekken aan een groot deel van de gemeenschappelijke EU-regels inzake asiel en migratie. Dit betekent dat het land formeel niet gebonden is aan het EU-asielacquis (het EU-brede regelgevingskader voor asiel), waardoor het binnen de EU een unieke positie inneemt. Bijgevolg wijken de huidige wetgeving en praktijk inzake intrekking van de asielbescherming sterk af van de EU-bepalingen inzake de duur en herziening van de beschermingsstatus en genieten vluchtelingen met subsidiaire en tijdelijke bescherming in Denemarken nu fors minder bescherming dan juridisch verplicht is in andere EU-lidstaten. Met als gevolg dat veel vluchtelingen in Denemarken onder stressvolle omstandigheden leven die worden gekenmerkt door een veel grotere mate van tijdelijkheid en onzekerheid dan voorheen.
Toch is het verstrengde terugkeerbeleid grotendeels een mislukking: bij gebrek aan formele terugkeerakkoorden met de landen van herkomst komen veel migranten vast te zitten in een juridisch vacuüm: óf ze belanden in gesloten detentiecentra (vaak onderworpen aan gevangenisachtige (materiële) omstandigheden en gebonden aan ware gevangenisregels)lvii óf ze verdwijnen alsnog in de irregulariteit, in Denemarken of in de buurlanden.lviii Ook de Deense externaliseringswet bestaat momenteel enkel op papier: er is nog geen enkele concrete overeenkomst met een derde land en de operationalisering van de wet blijft gehuld in juridische en praktische nevelen. Tegelijkertijd is het gevoerde migratiebeleid hoogst schizofreen en dubbelzinnig van aard: vluchtelingen moeten zich constant en onophoudelijk voorbereiden op een terugkeer naar hun land van herkomst, maar willen ze kans maken op permanent verblijf, dan worden ze geacht intensief te participeren en te voldoen aan strikte integratiecriteria op vlak van taal, werk en cultuur.lix De basisboodschap lijkt dus te zijn: ‘we willen jullie hier zo snel mogelijk weg, maar je moet integreren, participeren en assimileren alsof je hier altijd zult blijven.’ Dat is een expliciete afwijzing en uitnodiging uitspreken in dezelfde adem.
De tegenstrijdigheid van het Deense migratiebeleid: open én gesloten op hetzelfde moment
Maar de vijandige taal en beleidspraktijk van de afgelopen jaren staat in schril contrast met de praktische realiteit waarin Denemarken afhankelijk blijft van migratie voor het vinden van voldoende arbeidskrachten. Structurele en nijpende tekorten in onder meer de ouderenzorg, landbouw, horeca, bouw, visserij, metaal- en voedselverwerkende industrie onderstrepen de stijgende vraag naar migrantenarbeiders en dwingen Deense beleidsmakers in toenemende mate om de ondergewaardeerde maar essentiële rol van migratie in het vullen van deze vacatures te erkennen. In 2022 al meldde liefst 42 procent van de Deense industriële bedrijven dat zij bepaalde vacatures niet ingevuld kregen, wat wijst op een wijdverspreid tekort in meerdere sectoren.lx Een survey van het Arbeidsministerie eind december 2022 bevestigde dat liefst 200.000 vacatures niet ingevuld raakten.lxi In hetzelfde jaar verklaarde de Deense Nationale Bank bijgevolg dat buitenlandse arbeidskrachten onmisbaar zijn om de Deense economie overeind te houden en dat door de vergrijzing hun belang in de toekomst enkel zou toenemen.lxii
In reactie op dat probleem zag premier Mette Frederiksen zich in haar openingsrede voor het Deense Parlement in oktober 2023 genoodzaakt te verklaren dat “het wisselgeld van het nieuwe tijdperk in de Deense politiek het vermogen zal zijn om beleid te voeren dat voldoende arbeidskrachten kan verzekeren.”lxiii Het sterke tekort aan arbeidskrachten deed de Deense beleidsfocus dus zacht opschuiven naar het centraler stellen van de economische noden van het land en voedde zo ook het debat over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van meer (arbeids)migratie. Bijgevolg heeft Denemarken de voorbije periode een flinke bocht genomen naar een meer open beleid op vlak van arbeidsmigratie. In tegenstelling tot de forse verstrengingen op vlak van asielmigratie werden de toegangspoorten voor arbeidsmigratie dus net sterk verruimd. Daardoor stijgen de immigratiecijfers recent opnieuw fors en liggen ze ook hoger dan voor de ‘paradigmawijziging’ (zie Figuur 10), en zelfs hoger dan op het hoogtepunt van de Syrië-crisis.
Fig. 10: Evolutie van de immigratie in Denemarken.
Centraal in die beleidsontwikkeling staat de uitbreiding en versoepeling van allerlei bepalingen en toegangsregels voor buitenlandse werknemers (zie Tabel 2 voor een overzicht). Zo werd in de loop van 2023 wetsvoorstel L46 door het Deense Parlement aangenomen. Dat voorstel zette een proces van verschillende wetsherzieningen in de Deense Vreemdelingenwet in gang die allemaal als doel hadden om het wervingsproces van werknemers uit derde landen (niet-EU-burgers) te faciliteren en versoepelen. Daarbij werden bestaande regelingen fors vereenvoudigd en soepelere voorwaarden en kwantitatieve streefdoelen ingevoerd.
Ten eerste werden de zogenaamde ‘Positieve Lijsten’ (Positivlisterne) herhaaldelijk uitgebreid en versoepeld om beter te kunnen inspelen op de acute tekorten op de arbeidsmarkt. De ‘Positieve Lijsten’ verzamelen functies en beroepscategorieën waarvoor een aantoonbaar tekort aan arbeidskrachten bestaat en die worden opengesteld voor buitenlandse werkkrachten. Een migrerende werknemer die een baan aangeboden krijgt in een van de categorieën op de lijst kan op grond van deze regeling dus een verblijfsvergunning aanvragen. Oorspronkelijk waren de lijsten vooral voorbehouden voor hoogopgeleiden en geschoolde vakmensen, maar gaandeweg werden er ook steeds meer beroepen met lagere scholingsgraad toegevoegd (waardoor ook kort- en middengeschoolde werknemers vlotter een werkvisum en verblijfsvergunning kunnen aanvragen). In de uitbreidingen van de lijsten in 2024 en 2025 werden naast land- en tuinbouwkundige profielen ook sociale en gezondheidswerkers expliciet toegevoegd aan de positieve lijst voor ‘geschoolde beroepen of vakmensen’. Voor zorg- en zorgondersteunend personeel werd bovendien een jaarlijks wervingsminimum van 1.000 buitenlandse zorg- en gezondheidswerkers ingesteld. Dat moet helpen om het veronderstelde tekort van 15.000 gezondheidswerkers tegen 2035 te verminderen.lxiv In de laatste uitbreiding is de lijst voor hoger opgeleiden ondertussen aangegroeid tot 187 beroepstitels, en voor geschoolde arbeiders tot 65 functies die allemaal in aanmerking komen om ingevuld te worden door buitenlandse werkkrachten.lxv
Daarnaast werden ook de verblijfs- en werkkansen voor buitenlandse studenten in knelpuntsectoren vergroot: internationale studenten krijgen na het voltooien van hun studie nu automatisch een werkzoekende periode van drie jaar met verblijfsrecht. Deze regeling maakt het voor bepaalde buitenlanders die hun verblijfsrecht dreigen te verliezen en die zijn ingeschreven voor of een opleiding volgen in een sector waar een tekort aan arbeidskrachten bestaat mogelijk om in Denemarken te blijven wonen en studeren zodat zij een blijvende bijdrage kunnen leveren aan de Deense economie. Bovendien kunnen buitenlandse studenten uit derde landen die in het bezit zijn van een visum vlot hun familie overbrengen naar Denemarken, waardoor zowel de studenten als hun familieleden toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Het aantal visa verleent onder deze regeling nam de voorbije jaren daardoor sterk toe.lxvi
Verder werd het ‘Fast-track schema’ (Fast track-ordningen) uitgebreid verruimd en versoepeld. Dankzij deze regeling kunnen buitenlandse arbeidskrachten al aan de slag bij gecertificeerde Deense bedrijven nog voor hun verblijfs- en werkvergunning volledig verwerkt is. Het doel is om de administratieve lasten voor werkgevers te verlagen en de wervingstijd aanzienlijk in te korten. De bestaande certificeringsdrempel voor bedrijven werd bovendien verlaagd van twintig naar tien voltijdse werknemers zodat ook kleine en middelgrote ondernemingen toegang krijgen tot deze route voor versnelde internationale rekrutering. Om een nog snellere indiensttreding mogelijk te maken en internationale mobiliteit verder te bevorderen, werden buitenlandse werkkrachten ook nog vrijgesteld van de verplichting om hun loon op een Deense bankrekening te ontvangen.
Daarbovenop hervormde de regering de loongrensregeling (Beløbsordningen) door een aanvullende loonrichtlijn (Supplerende Beløbsordning, Supplementary Pay Limit Scheme) in te voeren, die een aanzienlijk lagere inkomensdrempel hanteert dan de klassieke regeling. Waar de oorspronkelijke jaarlijkse loongrens als voorwaarde voor het bekomen van een verblijfsvergunning op minimaal 514.000 Deense Kronen (ongeveer 69.000 euro) werd vastgelegd, introduceerde de aanvullende regeling een instapniveau van circa 375.000 Kronen (ongeveer 50.000 euro) (later opnieuw opgetrokken naar ca. 415.000 DKK, of 55.000 euro). De lagere inkomensgrenzen kwamen er vooral op vraag van de Confederatie van Deense Werkgevers (Dansk Arbejdsgiverforening) omdat veel lonen in sectoren met reële tekorten (zoals de toerisme-, horeca- en algemene dienstensectoren) te laag zijn om te kunnen voldoen aan de klassieke loonvoorwaarden, wat de aanwerving van veel kortergeschoolde werknemers belemmerde of ronduit onmogelijk maakte.lxvii De loongrensregeling bestaat naast en in aanvulling op de eerder genoemde ‘Positieve lijsten’, wat betekent dat niet voldaan moet zijn aan specifieke vereisten rond job, functie of opleiding: iedereen die een job krijgt aangeboden in Denemarken waarvan het salaris boven de loongrens ligt, kan op basis van deze regeling een verblijfsvergunning aanvragen, ook asielzoekers.
Ook de ‘Start-up Denmark’-regeling ter ondersteuning en stimulering van buitenlands ondernemerschap werd uitgebreid. De regeling biedt buitenlandse ondernemers of zelfstandigen de kans een Deense verblijfsvergunning te krijgen door een eigen bedrijf op te richten of te leiden in Denenmarken. Naast ondernemers die een geheel nieuw bedrijf oprichten komen ook ondernemers die een Deense vestiging van een bestaand buitenlands bedrijf willen oprichten, of de bedrijfsvoering van een reeds bestaande Deense onderneming, opgericht onder een andere verblijfstatus, in aanmerking om via de regeling een verblijfsvergunning of werkvisum te verkrijgen.
De Deense regering investeerde ook fors in bilaterale partnerschappen en samenwerkingsovereenkomsten om gerichter buitenlands personeel te werven voor sectoren met acute tekorten, voornamelijk in de zorg. Zo werden mobiliteitsovereenkomsten gesloten met India en de Filippijnen voor het opleiden en in dienst nemen van gezondheidswerkers en zorgprofessionals. Naast grote vraag naar verpleegkundigen, zorgassistenten en vroedvrouwen, is er immers ook een blijvend tekort aan artsen, dierenartsen, IT-ontwikkelaars en ingenieurs. Veel van die beroepen staan al geruime tijd op de positieve lijsten en vallen ook onder de loongrensregeling, maar zonder succes. Vandaar dat de regering recenter ook overschakelde op een actievere wervingsaanpak.
Ten slotte gaat vanaf 1 januari 2026 het ‘Global Talent & Mobility Scheme’ van start, dat gecertificeerde bedrijven in staat stelt vlot buitenlandse werknemers aan te werven uit zestien geselecteerde landen voor functies die onder een Deense collectieve arbeidsovereenkomst vallen.2 Doel van de nieuwe regeling is om het wervingsproces voor bedrijven nog verder te vereenvoudigen, internationaal talent en vakmensen aan te trekken, terwijl tegelijkertijd ook de Deense arbeidsnormen worden gehandhaafd. Bedrijven met ten minste tien werknemers kunnen vlot personeel uit de vooraf aangegeven landen aannemen en dat tegen een lagere loongrens dan voorheen mogelijk was onder de bestaande loongrensregelingen (300.000 Deense Kronen of ongeveer 40.000 euro). In ruil voor die flexibiliteit moeten werkgevers de lonen en arbeidsvoorwaarden bieden die zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst tussen de sociale partners. Wil men van deze regeling gebruik maken om buitenlandse arbeidskrachten naar Denemarken te halen, dan moet er dus wel een cao afgesloten zijn tussen de Dansk Arbejdsgiverforening (Deense werkgeversvereniging) en de Fagbevægelsens Hovedorganisation (koepelorganisatie van de vakbonden).lxviii De werk- en verblijfsvergunningen voor de buitenlandse werkkrachten worden voor drie jaar afgeleverd, maar zijn verlengbaar en de administratieve procedure voor aanwerving wordt aanzienlijk ingekort.
Tabel 2: recente hervormingen Deense arbeidsmigartieregeling.
Terwijl Denemarken de voorbije jaren een van de strengste asielregimes in Europa uitbouwde, voerde het land tegelijkertijd dus ook een reeks gerichte versoepelingen door om arbeidsmigranten actief aan te trekken. Gedreven door structurele arbeidstekorten, demografische vergrijzing en toenemende druk in belangrijke economische sectoren (o.a. de zorg, landbouw, horeca, toerisme, techniek, IT, groene transitie, …) introduceerde de regering steeds meer maatregelen om gericht internationale werknemers aan te trekken. Hoewel de regering zich de voorbije jaren verbaal en beleidsmatig sterk verzette tegen de instroom van migranten en asielzoekers, maakt het land ondertussen wel actief gebruik van het migratiekanaal om het grote en wijdverspreide tekort aan arbeidskrachten te verkleinen.
Daarmee hanteert Denemarken een erg dubbelzinnige beleidsstrategie: streng en repressief voor asielmigratie en gezinshereniging, open en uitnodigend voor economisch noodzakelijke arbeidskrachten. Die beleidsstrategie onderstreept ook hoe het forse en restrictieve taalgebruik in realiteit een groeiende afhankelijkheid van buitenlandse arbeidskrachten verhult. Met die aanpak balanceert Denemarken echter op een slappe koord. Het probeert immers twee tegengestelde doelen te bereiken met hetzelfde instrument: het sterk beperken van de stroom vluchtelingen en migranten én het blijvend aantrekken van voldoende buitenlandse werkkrachten. Anders gezegd: het land tracht de instroom zowel in te dammen als te verhogen. Dat is als remmen en gas geven tegelijkertijd. Bijgevolg worstelt Denemarken om een stabiel evenwicht te vinden tussen een strenge aanpak van bepaalde ‘ongewenste’ migranten enerzijds, en het behouden van een aantrekkelijk imago voor ‘gewenste’ arbeidsmigranten anderzijds. Dat bewijst ook de bezorgdheid die bij een groot deel van de private sector leeft: werkgevers vrezen dat de uiterst vijandige toon tegenover bepaalde vormen van migratie het internationale imago van Denemarken schaadt en zo de noodzakelijke internationale rekrutering bemoeilijkt.lxix
Gevalstudie 4.
Spanje: economische voorspoed door migratie te omarmen
Een land dat eveneens interessant is om onder de loep te nemen is Spanje, omdat het binnen Europa voor een duidelijk afwijkend migratiebeleid kiest. Tegen de trend van forse migratiebeperkingen in, hanteert Spanje net een opmerkelijk pragmatische en verwelkomende aanpak: waar veel EU-lidstaten vanuit een afschrikkingslogica hun migratiewetgeving de afgelopen jaren verstrengden, koos de Spaanse regering er net voor om de bestaande wetgeving te versoepelen en de deur voor migranten verder open te zetten. De doorgevoerde versoepelingen maken deel uit van een bredere beleidsfilosofie (en -retoriek) die migratie niet wil weren, maar juist proactief omarmt als een cruciale hefboom voor economische groei en welvaartsbehoud. Het streven daarbij is om een “verantwoord en humaan” migratiebeleid te voeren dat tegelijkertijd ook de toekomst van Spanje veiligstelt.
Ruimer dan het louter aantrekken van extra arbeidsmigranten, zijn de Spaanse beleidsversoepelingen daarom ook expliciet gericht op asielzoekers, irreguliere migranten of mensen zonder wettig verblijf: zij kunnen voortaan makkelijker een verblijfsvergunning krijgen, hun gezin en familieleden overbrengen, en vlotter toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Deze afwijkende aanpak komt tot uiting in de verruiming van de zogenaamde ‘Arraigo’-trajecten (regularisatie voor mensen zonder papieren) en de strategische uitbreiding van het ‘GECCO-systeem’ voor circulaire seizoensarbeid. Wat deze maatregelen verbindt, is dat ze beide de snelle en legale integratie van arbeidskrachten in de formele economie beogen.
Mede dankzij die opvallend andere aanpak van migratie is Spanje de afgelopen jaren uitgegroeid tot de meest bruisende en dynamische economie van Europa. Sleutelfactor achter die sterke economische prestatie is de toegenomen mobiliteit van mensen: de toename in het aantal migranten (die cruciale gaten in de arbeidsmarkt opvullen) en een herneming van het internationale toerisme na de rampzalige Covid-jaren verklaren in belangrijke mate de huidige Spaanse hoogconjunctuur. Tegen de internationale trend in kiest Spanje dus openlijk en resoluut voor méér migratie, en dat legt het land economisch geen windeieren.
Een ander geluid
De huidige Spaanse regeringscoalitie hanteert een fundamenteel afwijkende beleidsfilosofie op vlak van asiel en migratie, die rechtstreeks ingaat tegen de restrictieve en afwerende retoriek die in veel andere Europese lidstaten overheerst. Terwijl veel andere Europese regeringsleiders en beleidsmakers inzetten op afschrikking en een inperking van de instroom —vaak onder invloed van radicaal-rechtse coalitiepartners of oppositiebewegingen—, kiest Spanje onder premier Pedro Sánchez (Partido Socialista Obrero Español — PSOE) bewust voor een beleid dat migratie niet als een bedreiging ziet, maar net als een effectieve manier om de binnenlandse groei en welvaart te versterken en beschermen. “Spanje moet kiezen tussen een open en welvarend land zijn of een gesloten, arm land. Zo simpel is het,” stelde premier Sánchez in een veelbesproken toespraak voor het parlement in oktober 2024.lxx
In diezelfde toespraak stelde hij ook dat het faciliteren van migratie niet enkel een kwestie van menselijkheid is, maar in een land waar het geboortecijfer tot het laagste van de EU behoort ook de enige realistische manier is om de economie te laten groeien en de verzorgingsstaat in stand te houden. Zo gaat de OESO ervanuit dat bij ongewijzigd beleid de beroepsbevolking van Spanje tegen 2060 met liefst 30 procent zou krimpen, met een forse toename van de afhankelijkheidsratio tot gevolg.lxxi Die scherpe daling van de Spaanse beroepsbevolking en forse toename van de afhankelijkheidsratio wordt deels verklaard door de lagere vruchtbaarheidscijfers en de hogere levensverwachting in vergelijking met de meeste andere OESO-landen. Daarom pleitte Premier Sánchez in zijn toespraak ook voor een “verantwoord en humaan” migratiebeleid, dat “de uitdagingen van immigratie onder ogen ziet, maar tegelijkertijd ook maximaal gebruik maakt van de enorme voordelen die migratie dit land kan bieden.” Die beleidsfilosofie werd kort nadien ook verankerd in concrete wetswijzigingen, zoals de nieuwe immigratiewet die in november 2024 in het parlement gestemd werd en als expliciete doel heeft om reguliere en veilige migratieroutes niet af te bouwen, maar net te versterken en te verruimen.lxxii
Belangrijke leidraad bij die hervorming was dat migranten als volwaardige burgers in Spanje moeten kunnen participeren, met volledige rechten en plichten. Bij de presentatie van de nieuwe wet benadrukte Minister van Inclusie, Sociale Zekerheid en Migratie Elma Saiz daarom dat de hervorming het resultaat was van een evenwichtsoefening waarbij 1) de rechten van migranten beter worden beschermd, 2) het juridisch kader geactualiseerd en aangepast wordt aan de demografische realiteit van vergrijzing en arbeidsmarktkrapte, en 3) en de nationale belangen optimaal gediend worden.lxxiii
Belangrijk daarbij is dat de regering de versoepelingen in de immigratiewet ook begrijpt als een vorm van welbegrepen eigenbelang: “op een moment dat de Spaanse bevolking snel veroudert, zijn migranten cruciaal om de beroepsbevolking op peil te houden. En ze dragen op een positieve manier bij aan de overheidsfinanciën,” zo stelde Minister van Economie Carlos Cuerpo recent.lxxiv De redenering daarachter is dat als meer mensen legaal in Spanje kunnen werken en verblijven er niet alleen meer mensen aan de slag kunnen, maar mensen ook uit de informaliteit worden getrokken, zij meer zullen bijdragen aan belastingen en sociale bijdragen, de fiscale basis van de staat zal verbreden en zij zo dus zo ook mee de duurzaamheid en betaalbaarheid van de Spaanse verzorgingsstaat zullen ondersteunen. In de Europese context vormt Spanje dus een interessante case, omdat het land immigratie niet problematiseert, maar net strategisch inzet ter versterking van de nationale groei en welvaart.
Structurele versoepelingen in de Spaanse immigratiewetgeving (2024–2025)
In november 2024 keurde Spanje een uitgebreide herziening van zijn immigratiewetgeving goed. De hervormingen, die op 20 mei 2025 van kracht gingen, hebben tot doel de visumprocedures te stroomlijnen, de integratie van migranten te verbeteren en het tekort aan arbeidskrachten in een vergrijzende samenleving aan te pakken. De nieuwe wet benadrukt daarbij werk, opleiding en familie als drie voorname hefbomen om de integratie van migranten in Spanje te versnellen. Belangrijke maatregelen zijn onder meer duidelijkere visumregels, verbeterde toegang tot de arbeidsmarkt, uitgebreide rechten op gezinshereniging en nieuwe en snellere routes naar een verblijfsvergunning voor migranten zonder papieren.
Regularisatie en verblijfszekerheid: de Arraigo-routes
Een kernmechanisme van de hervorming is de aanzienlijke verruiming van de ‘Arraigo’-trajecten (vrij vertaald als ‘worteling’, ‘verankering’, of ‘inbedding’). Dit systeem vormt al jaren een centrale pijler van de Spaanse regularisatiestrategie en biedt migranten in een onregelmatige verblijfssituatie toegang tot een verblijfs- en werkvergunning, waardoor hun inbedding in de samenleving en de arbeidsmarkt wordt geformaliseerd. De mogelijke kanalen voor regularisatie worden uitgebreid van vier naar vijf trajecten: de ‘Arraigo Social’ (sociale worteling), ‘Arraigo Laboral’ (arbeidsmatige worteling), ‘Arraigo Familiar’ (familiale worteling), ‘Arraigo para la Formación’ (worteling via opleidingstraject), en nu dus ook de ‘Arraigo de Segunda Oportunidad’ (tweedekansworteling). Die laatste categorie biedt een regularisatiemogelijkheid voor personen die eerder rechtmatig in Spanje verbleven en gedurende minstens zes maanden sociale premies betaalden, maar nadien hun verblijfsstatus toch nog verloren. Hiermee wordt dus een bijkomende route gecreëerd voor migranten die al aantoonbaar geïntegreerd zijn in de Spaanse samenleving, in het bijzonder gericht op voormalige asielzoekers met legale arbeidsprestaties.
Tegelijkertijd werden ook de voorwaarden en toegangsdrempels aanzienlijk versoepeld. Alle initiële verblijfsvergunningen binnen het systeem zijn nu één jaar geldig en kunnen telkens met vier jaar worden verlengd (volgens de zogenaamde de ‘1+4-formule’) wat een voorspelbare rechtspositie en stabiliteit voor zowel werknemers als werkgevers moet garanderen. Daarnaast werd binnen de Arraigo Familiar de reikwijdte van gezinshereniging uitgebreid naar feitelijke partners én familieleden in brede zin en werd voor niet-EU-familieleden van Spaanse burgers een afzonderlijke verblijfsvergunning met een termijn van vijf jaar ingevoerd. Met die langere termijnen en snellere procedures wil de Spaanse regering de sociale integratie bevorderen en een stabielere leefbasis creëren voor gezinnen met een migratieachtergrond.
Daarnaast werd binnen de Arraigo Social de vereiste minimale ononderbroken verblijfsduur voor regularisatie teruggebracht van drie naar twee jaar, wat de drempel voor formalisering significant verlaagt. Bovendien mogen houders van een verblijfsvergunning voortaan onmiddellijk werken, zowel in loondienst als ook als zelfstandige, zonder de noodzaak nog een aparte aanvraag voor een werkvergunning in te dienen. Binnen de Arraigo Laboral werd het visum voor werkzoekenden dan weer van drie maanden naar één jaar opgetrokken, zodat kandidaten meer tijd krijgen om werk te vinden, vooral in sectoren met structurele tekorten. Internationale studenten, ten slotte, mogen voortaan tot 30 uur per week werken en krijgen toegang tot versnelde trajecten voor arbeidsmarktintegratie na hun afstuderen.lxxv
De regering schat dat via deze regularisatieroutes jaarlijks ongeveer 300.000 personen toegang kunnen krijgen tot de formele economie. Dit moet niet alleen bijdragen aan betere arbeidsomstandigheden, maar ook aan een bredere fiscale basis en een daling van de informele arbeid. Door meer voorspelbaarheid te creëren, bureaucratische drempels te verlagen en regularisatie toegankelijker te maken dient de hervorming van het Arraigo-systeem dus de vooropgezette dubbele doelstelling van het Spaanse migratiebeleid: het bevorderen van ordelijke, reguliere en veilige migratie en het verkleinen van de structurele tekorten op de arbeidsmarkt.
Faciliteren van circulaire seizoensmigratie: GECCO
Naast de uitbreiding van het Arraigo-systeem omvat de hervorming van het Spaanse migratiebeleid ook de verdere ontwikkeling van een speciaal kader voor seizoensarbeiders dat circulaire migratie mogelijk maakt en ondersteunt: de ‘Gestión Colectiva de Contrataciones en Origen’ of het GECCO-systeem. In plaats van kortlopende werkvergunningen die alleen geldig zijn voor de duur van seizoenscontracten, introduceerde de wetswijziging een vierjarige werkvergunning voor meerdere binnenkomsten, waarmee werknemers tot negen maanden per jaar in Spanje kunnen verblijven en werken, op voorwaarde dat zij na het seizoen terugkeren naar hun land van herkomst. Werknemers die zich gedurende de vierjarige cyclus aan de terugkeerverplichtingen houden, krijgen daarna de mogelijkheid om hun seizoensgebonden werkvergunning met nog eens vier jaar te verlengen of om over te stappen naar een reguliere en voltijdse verblijfs- en werkvergunning die twee jaar geldig is. Daarmee creëert ook dit systeem een duidelijk traject naar permanente verblijfszekerheid.lxxvi
Het grote voordeel van deze regeling is dat ze de vroegere kortlopende, seizoensgebonden werkvergunningen vervangt waardoor de jaarlijkse administratieve lasten en kosten voor zowel de overheid, werknemers als werkgevers sterk gereduceerd worden. Hierdoor ontstaat een meer voorspelbaar en stabiel traject dat zowel de arbeidsmarktpositie van werknemers versterkt, de productiviteit van werknemers verhoogt (omdat ervaren en opgeleide werknemers jaarlijks kunnen terugkeren), als de continuïteit voor werkgevers bevordert. Het vernieuwde GECCO-systeem legt wel strikte voorwaarden op aan werkgevers: zij moeten onder meer instaan voor adequate huisvesting, de organisatie van de reizen van en terug naar het herkomstland, en uiteraard de arbeidsvoorwaarden naleven.lxxvii Die verplichtingen zijn opgenomen om de werknemersbescherming te versterken en arbeidsuitbuiting te vermijden.
De hervorming wordt geflankeerd door een reeks bilaterale mobiliteitsovereenkomsten met landen zoals Marokko, Senegal, Colombia, Guatemala, Ecuador, Honduras en de Dominicaanse Republiek. Deze overeenkomsten verzekeren een georganiseerde rekrutering in landen van herkomst en waarborgen de werking van het GECCO-systeem. Daarnaast worden vanaf 2025 ook proefprojecten uitgerold in Afrikaanse landen zoals Mauritanië en Gambia, met het oog op een verdere diversificatie van herkomstlanden en sectoren. Hoewel het systeem traditioneel vooral gericht was op de landbouwsector, zijn er momenteel plannen om de werving ook uit te breiden naar andere seizoensgebonden sectoren zoals het toerisme en de horeca. Het GECCO-besluit maakt het mogelijk om op verantwoorde en vooruitziende wijze in te spelen op de vraag op de arbeidsmarkt, waardoor voldoende arbeidskrachten in essentiële sectoren worden gewaarborgd en tegelijkertijd werkgelegenheid en opleidingsmogelijkheden worden geboden aan mensen die terugkeren naar hun plaats van herkomst. Daarom vormen deze circulaire migratieprogramma’s volgens de Spaanse regering ook een belangrijk instrument voor “wederzijdse groei, het versterken van de banden met onze internationale partners en het bevorderen van ordelijke, reguliere en veilige migratie.”lxxviii
Fig. 11: Evolutie van de immigartie in Spanje.
De economische vruchten van toegenomen migratie
Het permissieve migratiebeleid en de recente hervormingen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan een uitzonderlijk sterke economische dynamiek in Spanje. Terwijl de Franse economie slechts licht groeide en de Duitse economie zelfs kromp, tekende Spanje in 2024 een economische groei op van liefst 3,2 procent, bijna vier keer hoger dan het gemiddelde in de eurozone. Voor die prestatie kreeg het land in 2024 bijgevolg ook de titel van ‘best presterende geavanceerde economie ter wereld’ van The Economist.lxxix Daarbij werd gekeken naar verschillende cruciale indicatoren als bbp-groei, arbeidsmarktprestaties, kerninflatie, en algemene begrotingssituatie. En ook in 2025 zat Spanje met een groei van 2,9 procent in de kop van het peloton. Recente prognoses geven aan dat, ondersteunt door een stabiele binnenlandse vraag, de groei ook in de komende jaren robuust zal blijven.lxxx Bijkomstig gunstig effect is dat de hoge economische groei tot een stevige reductie van de overheidsschuld heeft geleid, met een schuldgraad die van 119 procent van het bbp in 2020 onder de 100 procent zal duiken in 2026.
Hoewel meerdere factoren hebben bijdragen aan de positieve macro-economische prestaties van Spanje, is de toegenomen migratie zeker één van de voornaamste verklaringen. Hoewel Spanje lange tijd vooral een emigratieland is geweest —tijdens de Spaanse Burgeroorlog verlieten veel Spanjaarden het land als gevolg van politieke vervolging en economische crisis, en ook onder de dictatuur van Franco bleef Spanje een land waaruit mensen vooral vertrokken— is dat recent compleet gekeerd. In de afgelopen twaalf jaar is de bevolking gegroeid van circa 46 naar 49 miljoen inwoners, met een stijging van 1,2 miljoen buitenlandse werknemers in de afgelopen zes jaar alleen.lxxxi Deze toename heeft de arbeidsparticipatie versterkt, tekorten in cruciale sectoren verminderd en de binnenlandse vraag ondersteund. De hoge instroom van migranten fungeerde bovendien als belangrijke buffer tegen de vergrijzing, vulde cruciale arbeidstekorten op en zorgde zo voor een toename van de totale productiecapaciteit van de economie. Volgens surveygegevens van de Encuesta de Población Activa uit 2024, een enquête die peilt naar de actieve beroepsbevolking in Spanje, vulden buitenlandse werknemers of personen met een dubbele nationaliteit liefst 88 procent van de in dat jaar nieuw gecreëerde werkgelegenheid in.lxxxii Dankzij de toegenomen immigratie bevindt Spanje zich vandaag dus in een opwaartse spiraal. Ondanks enkele blijvende tekorten (onder andere in de bouw en de horeca) behoort Spanje momenteel tot de OESO-landen met de laagste arbeidsmarktkrapte, terwijl de minimumlonen wel verder zijn blijven stijgen (het reële minimumloon lag in april 2025 3,1 procent hoger dan in januari 2021).lxxxiii,lxxxiv Bovendien lijkt de hoge instroom voorlopig niet tot vergelijkbare politieke spanningen te leiden als in andere Europese lidstaten, wellicht omdat een groot deel van de nieuwkomers uit Latijns-Amerika komen, Spaans spreken en een vrij gelijkaardige cultuur hebben.
Naast de migratiedynamiek spelen ook enkele andere elementen een rol in de recente groeiprestaties. Een eerste belangrijke bijkomende factor is de herneming van het internationale toerisme na Covid. De toeristische sector, die zwaar getroffen werd door de pandemie, verwelkomde in 2024 een recordaantal van 94 miljoen bezoekers (op een totaal van 49 miljoen inwoners). De inkomsten uit het internationale toerisme fungeerde in belangrijke mate als smeerolie voor de Spaanse groeimotor. Een tweede belangrijke factor is de relatieve energieonafhankelijkheid van Spanje. Waar het land in het verleden het merendeel van zijn elektriciteit importeerde, heeft het tegenwoordig een hoge mate van zelfvoorziening bereikt door optimaal gebruik te maken van de aanwezige zonne-, wind- en waterkracht: het aandeel hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie steeg van 45 procent in 2021 naar 65 procent in 2024, wat tot een forse daling van de elektriciteitsprijzen leidde.lxxxv Ten slotte waren er ook nog de omvangrijke EU-herstelinvesteringen uit het NextGenerationEU-herstelplan en het soepele begrotingsbeleid van de regering (dat publieke investeringen, sociale beleidsinitiatieven en de algemene consumptie ondersteunde), die de Spaanse economie hebben gestimuleerd.
Samengevat slaagt Spanje erin een pragmatisch, coherent en waardengedreven migratiebeleid te voeren dat een aardig economisch dividend oplevert zonder daarbij de individuele rechten van migranten structureel te ondergraven of te schaden. Daarmee maakt de Spaanse casus duidelijk dat economische welvaart en sociale inclusie wel degelijk samengaan, en weerlegt Spanje het dominante narratief in Europa dat migratiebeperking een noodzakelijke voorwaarde zou zijn voor economische en sociale stabiliteit. Door legale toegangswegen systematisch te verruimen, regularisatie-instrumenten te versterken en arbeidsmarktintegratie centraal te stellen, slaagt Spanje erin migratie te kanaliseren naar sectoren met structurele tekorten, terwijl de rechten en rechtszekerheid van migranten worden uitgebreid in plaats van ingeperkt. Cruciaal bij die aanpak is dat migratie niet benaderd wordt als zijnde voornamelijk een beheersvraagstuk, maar wel als een noodzakelijk beleidsinstrument voor het veiligstellen van toekomstige economische groei, demografische duurzaamheid en de fiscale stabiliteit van de Spaanse staat en sociale zekerheid.
Samenvatting gevalstudies: typologie van beleidsstrategieën
De comparatieve analyse van het migratiebeleid in Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje bevestigt dat hedendaagse migratiepolitiek in Europese welvaartsstaten structureel gekenmerkt wordt door een hardnekkig beleidstrilemma. Regeringen trachten gelijktijdig drie doelstellingen na te streven die in de praktijk grotendeels onverenigbaar zijn: (1) de politieke en electorale wens om migratie te beheersen en te beperken, (2) de economische en demografische noodzaak om voldoende arbeidskrachten aan te trekken ter ondersteuning van groei en welvaartsstaatfinanciering, en (3) het respecteren van fundamentele mensenrechten en rechtsstatelijke beginselen. De onderzochte casussen illustreren niet zozeer verschillen in migratienoodzaak, maar variatie in de wijze waarop staten deze spanning institutioneel organiseren, discursief legitimeren en beleidsmatig proberen te overbruggen.
1. restrictief-utilitaire model: het Verenigd Koninkrijk
Het Britse migratiebeleid tracht het trilemma te beheersen via een gecentraliseerd en selectief puntenstelsel, waarin ‘economische meerwaarde’ of ‘maatschappelijk nut’ primeert. Arbeidsmigratie wordt toegelaten op basis van vaardigheden en loon, terwijl politieke controle en numerieke beperking centraal staan in de retoriek. Mensenrechten worden formeel gerespecteerd, maar in de praktijk uitgehold door tijdelijke statuten, administratieve onzekerheid en de creatie van een ‘vijandige omgeving’. Toch leidde het repressieve en sterk afschrikkende beleidsklimaat niet tot de beloofde lagere netto-instroom, maar net tot een sterk verhoogde netto-instroom van migranten, zij het in toenemende mate van niet-EU-burgers in plaats van EU-burgers. De ene categorie migranten werd dus simpelweg ingeruild voor een andere categorie migranten (die in hogere aantallen toegang werden verleend). Recenter is er wel een verschuiving naar een toegenomen restrictiviteit om de aantallen immigranten te reduceren, maar dat gaat duidelijk ten koste van het economische groeipotentieel van het VK. Recente verstrengingen dreigen zo de stagnatieval te verergeren waarin het VK sinds Brexit verkeert.
2. Het afschrikkings- en uitzonderingsmodel: Italië
Het Italiaanse model vormt wellicht de meest uitgesproken illustratie van de migratieparadox. Een harde anti-migratieretoriek en beperkte legale toegangskanalen gaan hand in hand met een structurele afhankelijkheid van migrantenarbeid in een breed aantal cruciale sectoren. Bijgevolg laveert het beleid voortdurend tussen repressie en ad-hoc-regularisaties, wat resulteert in juridische onzekerheid, informele arbeid en een systematische spanning met fundamentele rechten. Het model faalt daarmee op alle drie de assen van het trilemma: het slaagt er niet in om migratie effectief te beperken of de economische baten van migratie te optimaliseren, terwijl het wel systematisch botst met de principes van fundamentele mensenrechten en rechtszekerheid.
Het land wil wel migrantenarbeiders, en laat hen ook in grote getallen binnen, maar dan grotendeels als arbeiders zonder rechten. Het restrictieve immigratiebeleid creëert daarmee een tweederangs (migranten)arbeidersklasse, die de rechten van het burgerschap worden ontzegd. Het Italiaanse model toont zodoende helder de structurele incoherentie aan die ontstaat wanneer in snel vergrijzende economieën een harde en strenge politieke retoriek het economische en juridische beleid overvleugelt.
3. Het dubbelzinnige model van selectieve openheid: Denemarken
Het Deense model tracht het beleidstrilemma te beheren door een strikte en expliciete scheidslijn aan te brengen tussen ‘gewenste’ en ‘ongewenste’ migratie. Asiel, gezinshereniging en permanente vestiging worden sterk ingeperkt, terwijl arbeidsmigratie in knelpuntberoepen doelgericht wordt gefaciliteerd. Economische noodzaak krijgt aldus een functionele vertaling, maar wordt discursief losgekoppeld van solidariteit en inclusie. Deze functioneel-instrumentele benadering reduceert migratie tot een tijdelijk productiemiddel en verzaakt daarmee aan cruciale mensen- en burgerrechten. Ook hier is er sprake van een verlangen naar arbeiders (om economische en demografische redenen) zonder fundamentele rechten (om electorale redenen). Het resultaat is een beleid dat op het eerste zicht economisch relatief coherent lijkt, maar op lange termijn wervingsproblemen en legitimiteitsverlies kan veroorzaken: de nadruk op afschrikking en tijdelijke verblijfszekerheid ondermijnt de rechtszekerheid, sociale integratie en het internationale imago van het land, wat de duurzaamheid van het beleid onder druk zet. In haar beleidsstrategie bewandelt Denemarken een fragiel normatief evenwicht dat in toenemende mate een moreel onderscheid aanbrengt tussen ‘slechte’ en ‘goede’ categorieën migranten en daar ook gedifferentieerde rechten aan koppelt. Denemarken worstelt zodoende in het vinden van een stabiel evenwicht tussen een strenge aanpak van bepaalde migratie enerzijds, en het behouden van een aantrekkelijk imago voor gewenste arbeidsmigranten anderzijds.
4. Het economisch-inclusieve model: Spanje
Spanje onderscheidt zich van de drie voorgaande modellen omdat het migratie niet vanuit een optiek van beheersing of inperking benadert, maar openlijk beschouwt als een onvermijdelijke en noodzakelijke factor voor economische groei, arbeidsmarktstabiliteit en demografische duurzaamheid. Door legale toegangswegen te verruimen, regularisatieroutes te institutionaliseren en migranten snel toegang te geven tot de arbeidsmarkt en de opbouw van sociale rechten, slaagt Spanje erin economische noodzaak en respect voor mensenrechten beleidsmatig met elkaar te verzoenen, zonder migratie nodeloos discursief te problematiseren. Hoewel ook hier politieke spanningen blijven bestaan, maximaliseert dit model de economische opbrengsten van migratie en versterkt het de sociale legitimiteit van het beleid.
Samengevat toont deze typologie dat Europese lidstaten niet fundamenteel verschillen in hun (economische en demografische) afhankelijkheid van migratie, maar wel in de wijze waarop zij het beleidstrilemma politiek, juridisch en discursief proberen te beheren: waar het VK, Italië en Denemarken balanceren tussen symbolische restricties en economisch-demografische noodzaak — vaak ten koste van rechtszekerheid en beleidscoherentie — laat Spanje zien dat een expliciete erkenning van migratie als structurele realiteit ruimte creëert voor een rationeler, consistenter en menswaardiger beleid.
III. Conclusies
Dit dossier maakt duidelijk dat de huidige wedloop naar een steeds restrictiever asiel- en migratiebeleid op uiterst gespannen voet staat met de demografische, economische en fiscale realiteit van vergrijzende welvaartsstaten. Omdat extra migratie nodig is om de vergrijzingskosten te stutten, dreigt de restrictieve beleidslogica de welvaart en sociale bescherming die ze pretendeert te bewaken net actief te ondermijnen. Een ‘oorlog tegen migratie’ voeren komt vooral neer op het bevechten van je eigen schaduw: je kunt er niet van winnen en uiteindelijk doe je er vooral jezelf pijn mee.
Demografie, economie en fiscale houdbaarheid
Dat is voornamelijk zo omdat de demografische projecties weinig aan de verbeelding overlaten: zowel in België als in vergelijkbare Europese economieën dreigt het natuurlijke bevolkingssaldo in de komende jaren negatief te worden, zal de actieve bevolking zonder migratie krimpen, en zal de afhankelijkheidsratio tussen personen op actieve leeftijd en mensen op pensioenleeftijd dus flink stijgen. In een scenario met geen of lage netto-immigratie zullen de oplopende financiële lasten van vergrijzing dus gedragen moeten worden door een slinkende en uitgedunde generatie werkenden, wat de houdbaarheid van pensioenstelsels en zorguitgaven ernstig onder druk zou zetten. De olifant in de kamer is daarom de hardnekkige vraag naar extra werkende handen in de geavanceerde economieën. In vergrijzende economieën vervult migratie de rol van noodzakelijke pijnstiller: niet iets dat actief bekampt moet worden, maar wel een cruciaal instrument om de actieve bevolking op peil te houden, de economische activiteit te ondersteunen en de fiscale druk te helpen spreiden over een bredere basis van werkenden.
Een centraal argument van dit rapport is daarom dat migratie —zeker in tijden van vergrijzing en structurele arbeidsmarktkrapte— geen kostenpost of een last voor de overheidsfinanciën vormt, maar wel een nettobijdrage kan leveren aan de financiering van de welvaartsstaat. Verschillende studies en onderzoeken bevestigen inderdaad dat de structurele impact van migratie op het bruto binnenlands product (bbp) voor de meeste onderzochte landen, waaronder België, overwegend positief tot neutraal uitvalt. De gemiddelde migrant levert dus meer op dan hij of zij kost. De waargenomen variatie in fiscale bijdrage hangt in belangrijke mate samen met de demografische kenmerken van de aanwezige migrantenpopulatie en hun integratie op de arbeidsmarkt. Van doorslaggevend belang is de mate waarin nieuwkomers snel en duurzaam toegang krijgen tot werk. Arbeidsmarktintegratie fungeert hierbij als cruciale hefboom: hoe sneller migranten productief worden ingeschakeld, hoe groter hun fiscale bijdrage en hoe kleiner de druk op sociale uitgaven. Beleidskeuzes die inzetten op onzeker verblijfsrecht, tijdelijke statuten en beperkte arbeidsmarkttoegang werken daarom contraproductief en welvaartsondermijnend. Of de impact van migratie uiteindelijk positief of negatief uitdraait, is dus grotendeels beleidsafhankelijk.
Op economisch vlak is de conclusie duidelijk: de macro-economische baten van migratie zijn substantieel en de zogenaamde ‘dynamische voordelen’ —een stijging van de tewerkstelling, van de arbeids- en kapitaalproductiviteit en van de investeringsgraad— kunnen zich op relatief korte termijn manifesteren, zelfs bij een erg plotse en hoge instroom. De economische en demografische realiteit botst dus fors met het dominante beleidsvoornemen om de instroom te beperken en de uitstroom te vergroten. De harde waarheid is dat onze geavanceerde, vergrijzende economieën structureel afhankelijk zijn van migratie. En als politici migratie toch fors willen terugdringen, zal dat fundamentele en ingrijpende veranderingen vergen in het economische en arbeidsmarktbeleid met een sterke reductie in de sociale bescherming en een kleinere economie tot gevolg.
De migratieparadox en het onmogelijk beleidstrillemma
Als groei en welvaartsbescherming het doel is, is het fors inperken van migratie geen slimme strategie. Dat merken ook radicaal-rechtse, populistische of migratiekritische leiders eens ze aan de macht komen. Nagenoeg overal waar het experiment van ‘nulmigratie’, een ‘asielstop’ of een ‘forse inperking van de instroom’ in de praktijk werd gebracht, moet men daar gedwongen van terugkeren omdat de economische en demografische realiteit regeringen simpelweg dwingt de (achter)poorten opnieuw te openen. Dezelfde politici die met hun vijandige retoriek het anti-immigratiesentiment aanzwengelen, ontwikkelen niet zelden parallel en stilzwijgend een beleid dat op grootschalige wijze arbeidsmigranten aantrekt en tewerkstelt. “We gaan de instroom fors reduceren” bekt misschien lekker, maar leidt in praktijk vaak tot het tegenovergestelde effect: de totale netto-immigratie neemt net toe, niet af. Daarmee gaapt een gigantische kloof tussen wat beleidsmakers zeggen en wat ze daadwerkelijk doen.
De grote kloof tussen wat wordt gezegd en wat wordt gedaan is geen toevallige incoherentie, maar het resultaat van de zogenaamde ‘(il)liberale migratieparadox’, waarbij politici voortdurend moeten navigeren tussen een economische logica die richting openheid duwt en een politieke en administratieve logica die momenteel richting meer geslotenheid stuurt. Die spanning geeft aanleiding tot moeilijke beleidsafwegingen waarbij beleidsmakers en regeringsleiders op vlak van migratiebeleid verstrikt zitten tussen drie fundamenteel onverenigbare beleidsdoelstellingen of -verplichtingen: (1) de politieke wens om migratie te beperken, (2) de economische en demografische noodzaak om voldoende arbeidskrachten aan te trekken, en (3) het respecteren van fundamentele mensenrechten en rechtsstatelijke beginselen. De migratieparadox maakt in de eerste plaats dus duidelijk dat regeringen onmogelijk een strikt migratiebeleid kunnen voeren als dat niet aansluit bij de demografische en economische noden van hun land. Tussen de wil om migratie aan banden te leggen en het nastreven van economische stabiliteit heerst een fundamentele spanning: het is onmogelijk om de kool én de geit te sparen. Wat niemand daarbij luidop durft te zeggen is dat een reductie van de instroom automatisch lagere economische groei en diepgaande economische hervormingen impliceert (zoals een forse verhoging van de pensioenleeftijd en een daling van de sociale bescherming en de koopkracht).
Comparatieve vergelijking
De comparatieve analyse van het Europese migratiebeleid, met het Verenigd Koninkrijk, Italië Denemarken en Spanje als gevalstudies, legt die fundamentele beleidscontradictie ook helder bloot. In alle drie eerstgenoemde lidstaten gaat een uitgesproken anti-migratieretoriek, gericht op afschrikking en symbolische controle, gepaard met een feitelijke en groeiende afhankelijkheid van migratie, in het bijzonder arbeidsmigratie. Politici die publiekelijk beloven de instroom drastisch te beperken, versoepelen in de praktijk de visumregels, verlagen loondrempels of creëren uitzonderingsregimes om economische tekorten op de eigen arbeidsmarkt op te vangen. Terwijl sommige immigratiekanalen worden gesloten of versperd, worden andere dus net geopend. Het resultaat is een gedifferentieerd migratieregime waarbij vooral asielzoekers en irreguliere migranten het onderwerp zijn van repressieve retoriek en beleid, terwijl economische migratie verder wordt gefaciliteerd.
Zodoende ontstaat een realiteit waar mensenrechten worden opgeofferd voor forse beleidsretoriek over een migratiestop, terwijl de achterdeur, vaak op vraag van werkgevers en de industrie, wagenwijd blijft openstaan. De kost daarvan is reëel: onzekerheid, erosie van het internationaal recht en een suboptimale benutting van menselijk kapitaal. Bovendien dreigt een dergelijke beleidsdynamiek een morele tegenstelling te creëren tussen ‘goede’ en ‘slechte’ migranten: humanitaire migranten worden in toenemende als ‘ongewenst’ en ‘schadelijk’ aangeduid, terwijl ‘goede’ arbeidsmigranten welkom blijven. Het vijandige discours fungeert daarbij echter als substituut voor daadwerkelijke beheersing: het creëert de perceptie van controle zonder het niveau van de netto-immigratie wezenlijk in te perken. De belofte van ‘minder migratie’ blijkt in de praktijk dus vooral een vorm van symboolpolitiek. Een niet onbelangrijk risico daarbij is dat de onderliggende beleidsincoherentie radicaal-rechts enkel meer wind in de zeilen zal geven.
Veelzeggende uitzondering
Spanje vormt een opvallende uitzondering op de bovenstaande trend. In plaats van een offensief tegen migranten te voeren, omarmde Spanje hun potentiële bijdrage. Door migratie niet te problematiseren maar strategisch in te zetten, slaagt Spanje erin economische welvaart en sociale inclusie te combineren. En de economische resultaten zijn navenant: met een groei van ruim boven het eurozonegemiddelde en een dalende schuldgraad illustreert het land dat migratie geen kost of lastenpost hoeft te zijn, maar wel een troefkaart in het behoud en veiligstellen van de welvaartsstaat. Opvallend is daarbij dat deze koers wordt gevoerd zonder een systematisch vijandige retoriek of grootschalige inperking van individuele rechten.
De kernles van dit dossier is daarom dat de relevante beleidsvraag niet luidt of migratie wenselijk is, maar hoe zij rationeel, rechtvaardig en effectief kan worden georganiseerd zodat de potentiële maatschappelijke en economische baten maximaal worden gerealiseerd. In vergrijzende economieën met structurele arbeidskrapte is het systematisch verhogen van de toegangsdrempels geen teken van politieke daadkracht, maar wel van kortzichtigheid.
Eindnoten
1 P. De Lobel (2025), “Leger en drones mee ingeschakeld om migratiestromen te controleren.” De Standaard, 12 december 2025. [Link]
2 Federaal Panbureau (2025), ‘De vergrijzing van de bevolking zal de komende 10 jaar versnellen: Demografische vooruitzichten 2024-2070. [Link]’
3 Hoge Raad van Financiën (2024), ‘Studiecommissie voor de Vergrijzing: Jaarlijks Verslag 2024.’ [Link]
4 European Commission (2024), ‘2024 Ageing Report: Economic & Budgetary Projections for the EU Member States (2022-2070).’ Institutional Paper 279. [Link]
5 OECD (2025), ‘Pensions at a Glance 2025: OECD and G20 Indicators.’ [Link]
6 H. De Haas (2023), Hoe Migratie écht werkt. Het ware verhaal over migratie aan de hand van 22 mythen. Spectrum.
7 Adviesraad Migratie (2023), ‘Arbeidsmigratie: Oplossing voor economie en demografie?’ [Link]
8 IMF (2020), ‘Chapter 4: The Macroeconomic Effects of Global Migration.’ In: World Economic Outlook April 2020: The Great Lockdown. [Link] Zie ook: A. Caiumi & G. Peri (2024), ‘Immigration’s Effect on US Wages and Employment Redux.’ NBER Working Papers 32389: National Bureau of Economic Research. [Link] G. Peri (2014), ‘Do immigrant workers depress the wages of native workers?’ IZA World of Labor (2014:42). [Link]
9 H. De Haas (2023), Hoe migratie écht werkt. Het ware verhaal over migratie aan de hand van 22 mythen, p. 171.
10 VDAB (2025), ‘Knelpuntberoepen in Vlaanderen: Editie 2025.’ [Link]
11 Zie de lijst ‘middengeschoolde functies’: [Link].
12 OECD (2021), ‘Chapter 4: The fiscal impact of immigration in OECD countries since the mid-2000s’. In: International Migration Outlook 2021. [Link]
13 R. Rowthorn (2008), ‘The fiscal impact of immigration on the advanced economies.’ Oxford Review of Economic Policy (24:3), p. 560–580. [Link]
14 Office for Budget Responsibility (OBR) (2024), ‘Fiscal risks and sustainability: September 2024.’ [Link] Zie ook: Office for Budget Responsibility (OBR) (2025), ‘Supplementary forecast information release: Migration analysis in September 2024 Fiscal risks and sustaina-bility report.’ [Link]
15 OECD (2021), ‘Chapter 4: The fiscal impact of immigration in OECD countries since the mid-2000s’. In: International Migration Outlook 2021. [Link]
16 OECD (2024), International Migration Outlook 2024. [Link]
17 IMF (2025), ‘Chapter 3: Journeys and Junctions: Spillovers from Migration and Refugee Policies.’ In: World Economic Outlook: A Critical Juncture Amid Policy Shifts. [Link]
18 IMF (2020), ‘Chapter 4: The Macroeconomic Effects of Global Migration.’ In: World Economic Outlook April 2020: The Great Lockdown. [Link] Zie ook: IMF (2018), ‘Chapter 2: Labor Force Participation in Advanced Economies: Drivers and Prospects.’ In: World Economic Outlook: Cyclical Upswing, Structural Change. [Link]
19 O. Arce, A. Consolo, A. Dias da Silva & M. Weissler (2025), ‘Foreign workers: a lever for economic growth.’ ECB Blog. [Link]
20 Eurostat (2025), ‘Employed persons by birth’ (laatst geraadpleegd op 20 januari 2025). Zie ook: ECB (2025), ‘The role of demographics in recent developments in the unemployment rate.’ Economic Bulletin (2025:1), p. 48-54. [Link]
21 J.F. Hollifield (2004), ‘The Emerging Migration State.’ International Migration Review (38:3), p. 885–912. [Link] J.F. Hollifield et al. (2008), ‘Liberal Paradox: Immigrants, Markets and Rights in the United States.’ SMU L. REV. 67. [Link] K. Natter (2024), ‘The il/liberal paradox: conceptualising immigration policy trade-offs across the democracy/autocracy divide.’ Journal of Ethnic and Migration Studies (50:3), 680-701. [Link]
22 M. Czaika & H. De Haas (2013), ‘The Effectiveness of Immigration Policies.’ Population and Development Review (39), p. 487-508. [Link]
23 C. Boswell (2007), ‘Theorizing Migration Policy: Is There a Third Way?’ International Migration Review (41:1), p. 75-100. [Link] H. de Haas, K. Natter & S. Vezzoli (2018), ‘Growing Restrictiveness or Changing Selection? The Nature and Evolution of Migration Policies.’ International Migration Review (52:2), p. 324-367. [Link]
24 D.S. Massey et al. (1998), Worlds in Motion: Understanding International Migration at the End of the Millennium. Clarendon Press, p. 288.
25 C. Schutz, P. Lutz & S. Simon (2021), ‘Explaining the immigration policy mix: Countries’ relative openness to asylum and labour mi-gration.’ European Journal of Political Research (60), p. 763-784. [Link]
26 Conservatives (2019), ‘Get Brexit Done. Unleash Britain’s Potential. The Conservative and Unionist Party Manifesto 2019.’ [Link]
27 Ipsos (2016), ‘Concern about immigration rises as EU vote approaches.’ [Link]
28 M. Sumption, W.P. Walsh & B. Brindle (2025), ‘Briefing: Net migration to the UK.’ Migration Observatory UK. [Link]
29 S. Blaakman (2025), ‘The Brexit paradox: How leaving the EU led to more migration.’ EPRS: European Parliamentary Research Service.
30 Office for National Statistics (ONS) (2025), ‘Births in England and Wales: 2024 (refreshed populations).’ [Link]
31 Office for National Statistics (ONS) (2025), ‘Long-term international migration. Provisional: year ending June 2025.’ [Link]
32 Office for National Statistics (ONS) (2025), ‘National population projections: 2022-based.’ [Link]
33 Home Office (2025), ‘Restoring Control over the Immigration System: White Paper.’ Policy Paper. [Link]
34 D. Strauss, A. Gross & L. Hughes (2025), “Starmer seeks to cut UK migration and refocus it on graduate work.” Financial Times. [Link]
35 Home Office (2025), ‘Spring 2025 Immigration Rules Impact Assessment (Skilled Worker and Care Worker).’ [Link] Zie ook: D. Strauss (2025), “Tighter visa rules will cost UK up to £10.8bn.” Financial Times. [Link]
36 Amnesty International (2023), ‘Italy: withdraw measures that hinder the work of search and rescue ngo’s and increase the risk of drow-nings.’ [Link]
37 M. Ambrosini (2025), ‘The populist far right paradox: the identification of the enemy and its exceptions in the immigration policies of the Meloni government in Italy.’ Comparative Migration Studies (13:17). [Link]
38 A. Peretti (2025), ‘EU Court deals blow to Meloni’s Albania migration deal.’ Euractiv. [Link]
39 Amnesty International (2025), ‘”Nobody Hears You When You Scream”: Dangerous shift in Tunesia’s migration policies.’ [Link]
40 D. Zambiasi & E. Albarosa (2025), ‘Externalizing rescue operations at sea: The migration deal between Italy and Libya.’ Journal of Eco-nomic Geography (25:1), p. 41–58. [Link]
41 Amnesty International (2020), ‘Libië: door migratiedeal te hernieuwen, bevestigt Italië zijn medeplichtigheid aan foltering van migran-ten en vluchtelingen.’ [Link]
42 F. Buzzegoli et al. (2023), ‘Italy publishes work permit quotas for 2023 until 2025.’ EY Global Tax Alert: EY’s People Advisory Services Group. [Link]
43 Ministero dell’ Interno (2025), ‘Decreto flussi 2026-2028, previste 497.550 quote in tre anni. Precompilazione delle domande dal 23 ottobre.’ [Link] Zie ook: Reuters (2025), “Italy to issue half million non-EU work visas over next three years.” [Link]
44 OECD (2025), ‘Country Notes: Italy.’ In: International Migration Outlook 2025. [Link]
45 Istat (2025), ‘Migrazioni interne e internazionali della popolazione residente.’ [Link]
46 Istat (2025), ‘Demographic Indicators. Year 2024: Further decrease in fertility.’ [Link]
47 A. Beattie (2025), “How to tackle (and not tackle) migration: lessons from Italy.” Financial Times. [Link]
48 M.C. Bendixen (2024). ‘Why Europe should avoid modelling its migration policy on Denmark.’ Rosa Luxemburg Stiftung. [Link]
49 Voor de term ‘welvaartschauvinisme’, zie: J.G. Andersen & T. Bjørklund (1990), ‘Structural Changes and New Cleavages: the Progress Parties in Denmark and Norway.’ Acta Sociologica (33:3), p. 195-217. [Link]
50 S. Meret (2021), ‘Duties First, Rights Next! The Danish Social Democrats’ Right Turn on Migration Politics.’ In: N. Brandal, Ø. Brat-berg & D.E. Thorsen (Hrsg.), Social Democracy in the 21st Century. Emerald Publishing. J. Schwörer (2024), ‘A Nativist Zeitgeist in Western Europe and the Nordics. Mainstream Parties as Threat for Liberal Democracy.’ KFIBSAnalysis (1:1). [Link] J. Schwörer (2025), ‘New Danish paradigms on asylum and integration: effects and challenges.’ Friedrich-Ebert-Stiftung, Stockholm. [Link] M. Wiggen (2023), ‘The Shift to the Right in Denmark.’ In: K. Kondor & M. Littler (Hrsg.), The Routledge Handbook of Far-Right Extremism in Europe. Routledge.
51 J. Schwörer & K. Birke Daniels (2024), ‘Cautionary tale or model for success?: social democrats and their migration policy in Denmark.’ Friedrich-Ebert-Stiftung, Stockholm. [Link]
52 M. Bryant (2025), “Social Democrats in Denmark suffer sweeping election losses.” The Guardian. [Link] A. Hernandez-Morales (2025), “Frederiksen’s unhappy birthday: Danish PM’s party suffers election shellacking.” Politico. [Link]
53 J. Schwörer & K. Birke Daniels (2024), ‘Cautionary tale or model for success?: social democrats and their migration policy in Denmark.’ Friedrich-Ebert-Stiftung, Stockholm. [Link]
54 N. Filskov et al. (2024), ‘You Can Never Feel Safe. An analysis of the due process challenges facing refuges whose residence permits have been revoked.’ The Danish institute for Human Rights. [Link]
55 M. Wijnkoop, A. Pronk, & R. Neumann (2024), ‘“Shifting the paradigm, from opt-out to all out?” In Search of Control: Denmark Country Report.’ The Clingendael Institute. [Link]
56 Ritzau (2021), “Mette Frederiksen: Målet er nul asylansøgere til Danmark.” Nyheder. [Link]
57 European Council on Refugees and Exile (2020), ‘Denmark: Council of Europe shocked over conditions in Danish Detention Centers and Threatens Legal Action.’ [Link]
58 J. Vedsted-Hansen (2022), ‘Refugees as future returnees? Anatomy of the ‘paradigm shift’ towards temporary protection in Denmark.’ Chr. Michelsen Institute (CMI Report 2022:6). [Link]
59 M. Rytter (2023), ‘From Integration to Deportation: Grammars of Selves and Exogenous “Others” in the State of Denmark and Beyo-nd.’ Social Analysis (67:3), p. 1-25. [Link]
60 MPF (2024), ‘Re-thinking approaches to labour migration. Potential and Gaps in EU Member States’ Migration Infrastructures. Case Study Summary: Denmark.’ [Link]
61 STAR (2022), ‘Rekrutteringsurvey: Rapport December 2022. Styrelsen for Arbejdsmarked og Rekruttering.’ [Link]
62 Danmarks Nationalbank (2022), ‘Labour scarcity in Denmark: What role do foreign recruitments play?’ Economic memo N° 12. [Link]
63 D. Pozzato (2025), ‘Reframing perceptions of immigrants’ desirability in a time of labour shortages: the case of racialised immigrant workers in Denmark.’ Journal of Ethnic and Migration Studies (51:20), p. 5430-5451. [Link]
64 M. Barrett (2024), “Denmark confirms deal to recruit 1,000 health staff from abroad.” The Local Danmark. [Link]
65 Voor een laatste overzicht van de beroepstitels, zie: [Link].
66 X. Heiberg (2025), ‘Danish government under fire over immigration loophole in student visa scheme.’ Euractiv. [Link]
67 MPF (2024), ‘Re-thinking approaches to labour migration. Potential and Gaps in EU Member States’ Migration Infrastructures. Case Study Summary: Denmark.’ [Link]
68 Beskæftigelsesministeriet (2025), ‘Ny overenskomstordning for udenlandsk arbejdskraft og nye initiativer mod social dumping.’ Pres-semeddelelse. [Link]
69 MPF (2024), ‘Re-thinking approaches to labour migration. Potential and Gaps in EU Member States’ Migration Infrastructures. Case Study Summary: Denmark.’ [Link]
70 PSOE (2024), ‘Sánchez: “Los españoles somos hijos de la migración, no seremos padres de la xenofobia.”’ 09.10.2024. [Link]
71 OECD (2025), ‘Spain: Country notes.’ In: OECD Employment Outlook 2025. [Link]
72 La Moncloa (2025), ‘The Government of Spain launches the new Immigration Regulation after an intense training campaign and reinforcement of offices.’ La Moncloa. Web oficial del presidente del Gobierno y el Consejo de Ministros. [Link]
73 La Moncloa (2024), ‘The Government of Spain improves the social and labour integration of migrants.’ La Moncloa. Web oficial del pre-sidente del Gobierno y el Consejo de Ministros. [Link]
74 L. Dierckx (2025), “Spaanse minister van Economie: ‘Migratie is sleutelfactor voor onze groei’.” De Tijd. [Link]
75 Voor een bondig overzicht van de hervormingen, zie: OECD (2025), ‘Spain: Country notes.’ In: OECD Employment Outlook 2025. [Link]
76 MPF (2024), ‘Re-thinking approaches to labour migration. Potential and Gaps in EU Member States’ Migration Infrastructures. Case Study Summary: Spain. [Link]’
77 European Comission (2025), ‘Spain: New order for migrant employment and circular migration.’ Directorate-General for Migration and Home Affairs News Article. [Link]
78 European Commission (2024), ‘Spain: New immigration reform to enhance migrant integration.’ Directorate-General for Migration and Home Affairs News Article. [Link]
79 The Economist (2024), ‘Which economy did best in 2024?’ The Economist. [Link]
80 European Commission (2025), ‘European Economic Forecast, Autumn 2025: Spain.’ [Link]
81 The Economist (2025), ‘Spanish business thrives while bigger European economies stall.’ The Economist. [Link]
82 A. Maqueda (2025), “La economía española creció un 3,2% en 2024 por el tirón del turismo y la inmigración.” El Pais. [Link]
83 MPF (2024), ‘Re-thinking approaches to labour migration. Potential and Gaps in EU Member States’ Migration Infrastructures. Case Study Summary: Spain. [Link]’
84 OECD (2025), ‘Spain: Country notes.’ In: OECD Employment Outlook 2025. [Link]
85 JJ. Cubero, P. Más, R. Ortiz & P. Ruíz (2024), ‘Reaping the benefits of renewable energy in the Spanish economy.’ BBVA Research. [Link]

