Democratie, ook op de werkvloer

Toen Theresa May aan het hoofd kwam van de UK-regering, liep progressief Verenigd Koninkrijk niet bepaald over van enthousiasme. Maar toch was er één lichtpuntje: ze zou werknemers in de raden van bestuur van bedrijven steken. Zowaar een goed, progressief en eigentijds idee?

May stoelde haar idee op de correcte observatie dat te veel van de leden van de raden van bestuur uit een nogal klein segment van de bevolking komen. Ze zitten in de raad van bestuur om richting te geven aan een bedrijf en het management ter verantwoording te roepen, maar de ons-kent-ons cultuur staat dat al eens in de weg, aldus May.

Maar het mooie liedje duurde niet al te lang. Ze herhaalde haar voornemen nog enkele keren in zachtere bewoording om uiteindelijk in augustus van dit jaar te landen met enkele voorstellen die veel minder ver gaan dan het verplicht opnemen van werknemersvertegenwoordigers in het bedrijfsmanagement.

“In een democratie kunnen we meebeslissen over hoe we onze maatschappij inrichten, maar dat recht hebben we niet op de plaats waar we het grootste deel van de dag doorbrengen: de bedrijven.”

Jammer, want daar valt wel degelijk iets voor te zeggen. We vinden het logisch dat we in een democratie allemaal kunnen meebeslissen over hoe we onze maatschappij kunnen inrichten. We doen dat door te kiezen, door onze mening te uiten en door ons te organiseren. Dus waarom zouden we dat niet mogen doen in de organisaties waarin we het grootste deel van de dag doorbrengen: de bedrijven?

Ook bedrijven kunnen er wel mee varen. Werknemers zijn meer gericht op de langetermijnbelangen van een bedrijf aangezien dat bedrijf garant staat voor hun dagelijks brood. Dat kan nuttig zijn, zeker in een economie waarin de korte termijn steeds belangrijker wordt. Maar ook de kwaliteit van de genomen beslissingen kan erop vooruitgaan. Werknemersvertegenwoordigers hebben een andere kennis dan de typische leden van een raad van bestuur en kunnen vanuit hun ervaring goed inschatten wat de gevolgen van bepaalde beslissingen zullen zijn.

Een blik op wat cijfermateriaal moet dat ook bevestigen. Zo zou er in bedrijven met medezeggenschap meer geïnvesteerd worden en meer vorming gegeven worden. Volgens anderen zou dit alles ertoe leiden dat in landen met veel medezeggenschap er minder ongelijkheid is.

Genoeg argumenten dus om dit voorstel serieus te nemen. En vele landen hebben dat in de loop van de jaren ook al gedaan. In de meeste EU15-landen worden werknemers uit (sommige) bedrijven betrokken in het bestuur. Meestal gaat het over zeer grote bedrijven, maar in Zweden bijvoorbeeld kan je al een werknemer in de raad van bestuur hebben in bedrijven met 25 (!) werknemers. Ter vergelijking, in België heb je in dergelijke bedrijven zelfs geen recht op een comité voor preventie en bescherming op het werk. Recent heeft Frankrijk ook zijn systeem van medezeggenschap fors uitgebreid in de privé-sector. Noemenswaardige uitzonderingen zijn het Verenigd Koninkrijk, Italië en … België.

“Bijna alle EU-15 landen hebben systemen van medezeggenschap, maar België niet. In Zweden kunnen werknemers zetelen in de raad van bestuur van bedrijven met amper 25 werknemers.”

In België bestaat er geen systeem van zogenaamd ‘medezeggenschap’. Er zijn enkele bedrijven waar een Belgische werknemer in de raad van bestuur zetelt, maar dat is enkel dankzij enkele Europese regels. In België worden werknemers geïnformeerd en geconsulteerd over allerlei zaken, maar echt meebeslissen zit er nog niet in. Vanuit democratisch en bedrijfseconomisch oogpunt een jammere zaak.

Deze opinie verscheen eerder op dewereldmorgen.be.

Vlaktaks is geen 'fris idee', maar een plan om koud van te worden

De overheid moet een investeringsbank overwegen