De kortere werkweek: contouren van een belangrijk debat

In deze bijdrage schets ik de contouren van het debat over collectieve arbeidsduurvermindering, toegepast op een verkorting van de werkweek. Na een korte inleiding geef ik een aantal voordelen die een kortere werkweek zou kunnen opleveren. Vervolgens bekijk ik de twee belangrijkste vraagtekens die tegenstanders plaatsen bij arbeidstijdverkorting, namelijk enerzijds over de wenselijkheid en anderzijds over de haalbaarheid. Ik behandel de discussiepunten met een open vizier, maar weliswaar vanuit een positieve visie tegenover collectieve arbeidsduurvermindering.

VAN DE 38-URENWEEK NAAR...?

The Jetsons, de futuristische tegenhanger van The Flintstones, speelt zich af in het jaar 2062. In één van de afleveringen heeft George Jetson last van nachtmerries. Wanneer hij schreeuwend wakker wordt, suggereert zijn vrouw Jane dat zijn baas, Mr. Spacely, hem waarschijnlijk weer te hard laat werken. George Jetson bevestigt, en vertelt dat hij gisteren de vólle twee uur had gewerkt. Waarop Jane zegt: ‘Wel, wat denkt Spacely dat hij runt, een sweatshop?’

Het is waarschijnlijk grappiger om te zien dan om te lezen. Maar het toont vooral mooi aan dat werktijd geen vaststaand iets is. We hebben vaak de neiging om de bestaande situatie als ‘natuurlijk’ te beschouwen. Het is moeilijk in te beelden dat een voltijdse werknemer in België in 1870 gemiddeld nog 72,2 uur per week werkte[1], terwijl dat in 2015 teruggevallen is tot 38,7.[2] Op jaarbasis is de daling nog spectaculairder, van 3.483 uur per jaar in 1870 tot 1.427 in 2015.

De laatste decennia is de daling echter stopgezet. Volgens het Planbureau is er ongeveer een status-quo van de arbeidsduur sinds 1982.[3] Doordat de arbeidersbeweging de laatste vier decennia in het defensief gedrongen is in heel het Westen, kwam de offensieve strijd voor een reductie van de arbeidstijd minder tot uiting.

Na de economische crisis klinken de pleidooien voor een daling van de arbeidstijd opnieuw luider, vooral in de vorm van een kortere werkweek. In deze bijdrage focus ik dan ook in de eerste plaats op de debatten over arbeidsduurvermindering in de vorm van een kortere werkweek. Ik laat het aan ieders verbeelding over of we op korte, middellange of lange termijn nu moeten dromen van de 35-urenweek zoals in Frankrijk werd ingevoerd met twee wetten in 1998 en 2000, de 32-urenweekvan de degrowth-beweging, de 30-urenweek van Femma, PVDA, John Crombez en Liesbeth Sommen (CD&V), de 21-urenweek zoals de Britse New Economics Foundation voorstelt, of de 15-urenweek van Rutger Bregman.

In het volgende deel van deze bijdrage schets ik een aantal voordelen die een kortere werkweek zou kunnen opleveren volgens de voorstanders. Daarbij bespreek ik ook de tegenargumenten van de tegenstanders. Ik heb het eerder over de potentiële effecten van arbeidsduurvermindering dan over de vaststaande effecten. Zoals zal duidelijk worden, hangt veel immers af van de implementatie, en bestaat er nog veel onzekerheid over de gevolgen. Vervolgens ga ik in op de twee belangrijkste argumenten van tegenstanders: (1) dat een kortere werkweek niet wenselijk zou zijn; en (2) dat een kortere werkweek niet haalbaar zou zijn. Het is daarbij niet de bedoeling om een definitief antwoord te geven op alle vragen in het debat, maar wel om de belangrijkste discussiepunten en argumenten weer te geven.

DE MOGELIJKE VOORDELEN VAN ARBEIDSDUURVERMINDERING

Vrijheid en zelfontplooiing

Er bestaat een anekdote over een arbeider in de VS in de jaren 1960. Hij werkt aan de lopende band bij General Motors, maar komt bijna nooit werken op maandag. Wanneer zijn ploegbaas hem vraagt waarom hij maar vier dagen per week werkt, antwoordt de arbeider: ‘Omdat ik niet genoeg verdien als ik drie dagen werk’.

De anekdote is illustreert de visie van een belangrijk deel van de arbeidersbeweging op betaalde arbeid: als een noodzakelijk kwaad dat moet worden beperkt tot het noodzakelijke. Minder werken is sinds lang een strijdpunt van de arbeidersbeweging, in navolging van Marx, die schreef: ‘In fact the realm of freedom actually begins only where labour which is determined by necessity and mundane considerations ceases.’ Het is dan ook geen verrassing dat de roots van 1 mei als feestdag liggen in de strijd voor een 8-urige werkdag. De arbeidersbeweging heeft steeds gevochten voor niet alleen de herverdeling van inkomen en vermogen, maar ook van tijd. Met minder ‘niet-vrije tijd’ (betaalde arbeid) en meer ‘vrije tijd’, door een reductie van de werkweek, de invoering van betaalde vakantie, ouderschapsverlof, pensioen, …

Maar het zijn zeker niet alleen linkse radicalen die de voordelen zagen van minder betaalde arbeid. John Maynard Keynes voorspelde al in 1930 in zijn essay ‘Economic possibilities for our grandchildren’ dat we tegen 2030 nog maar drie uur per dag of vijftien uur per week zouden (moeten) werken. ‘Is dat een gunstige ontwikkeling?’, vroeg hij zich af. Zijn antwoord: ‘If one believes at all in the real values of life, the prospect at least opens up the possibility of benefit.’

In die traditie biedt meer tijd buiten de betaalde arbeid meer vrijheid, meer emancipatie, meer mogelijkheden tot zelfontplooiing en relaties met vrienden en familie, en meer tijd voor activiteiten die de samenleving en de sociale cohesie versterken. Dat is dan ook de belangrijkste reden om te pleiten voor een reductie van de werktijd, en het zou in principe een bonte coalitie van socialisten, liberalen, christendemocraten en ecologisten kunnen aanspreken.

Relatie arbeid-gezin

Arbeidsduurvermindering wordt ook naar voren geschoven om een betere relatie tussen arbeid en gezin te creëren. De klachten over de toegenomen werkdruk en burn-outs zijn welbekend. De cijfers zijn weliswaar niet eenduidig. Volgens de Werkbaarheidsmonitor 2016 beschouwt slechts 12,2% van de werknemers de balans werk-privé als problematisch[4], al spreekt ander opinieonderzoek over één op de vier werknemers die problemen heeft met de combinatie werk/gezin, en meer dan één op de drie Vlamingen die stellen dat hun privéleven lijdt onder de druk van het werk.[5]

Bovendien, waar vroeger in het algemeen de vrouw het huishoudelijk werk deed en de man de betaalde arbeid, zijn er nu veel gezinnen waar beide partners werken. Dat betekent dat de werktijd per gezin sterk toegenomen is.[6] Niet toevallig komt de grootste druk hierbij terecht op de schouders van de vrouw, die volgens tijdsbestedingsonderzoek veel meer huishoudelijke arbeid verricht. Een kortere werkweek zou dus een betere combinatie van betaalde arbeid en privéleven mogelijk maken.

Critici, zoals filosoof Ignaas Devisch (UG) en Jan Denys (Randstad), stellen dat er andere oorzaken zijn die de combinatie werk en gezin bemoeilijken en die stress en gezondheidsproblemen veroorzaken. Zij wijzen bijvoorbeeld op de toegenomen mogelijkheden om de vrije tijd in te vullen, de ontgoddelijking en het besef dat we maar één leven hebben om alles te doen wat we willen doen, en het gebruik van internet, smartphone en sociale media.

Als antwoord op deze kritiek kunnen we stellen dat arbeidsduurvermindering niet dé wonderoplossing is voor alle problemen. Culturele normen en de omgang met vrijetijdsbesteding en moderne communicatiemiddelen spelen uiteraard ook een rol. Maar dat betekent niet dat een kortere werkweek helemaal géén rol kan spelen. Zeker voor alleenstaande ouders en tweeverdienersgezinnen kan het wel een belangrijke factor zijn.

Gendergelijkheid

Hierboven werd reeds aangehaald dat het vooral vrouwen zijn die lijden onder de moeilijke combinatie van werk en gezin. Dat brengt ons bij een derde mogelijke positief effect van arbeidsduurvermindering: meer gendergelijkheid. Door de moeilijke combinatie van werk en gezin gaan werknemers vaak over tot deeltijds werk. Om verschillende redenen is het meestal echter de vrouw die minder gaat werken. In 2015 werkte maar liefst 43,9% van de vrouwelijke loontrekkenden deeltijds, terwijl dat bij mannelijke loontrekkenden bij slechts 10,3% het geval is.[7] Dat heeft negatieve gevolgen voor de kansen op promotie en de opbouw van sociale rechten voor vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat onderbrekingsstelsels wegen op de latere doorstromingsmogelijkheden.[8]

Een kortere werkweek zou er dus voor kunnen zorgen dat meer vrouwen een voltijdse job kunnen combineren met de huishoudelijke taken, en dus resulteren in meer gendergelijkheid. In Frankrijk ging de introductie van de 35-urenweek bijvoorbeeld gepaard met een daling van het percentage deeltijds werkenden.[9]

Opnieuw zullen critici argumenteren dat andere factoren, zoals culturele normen, een grote rol spelen in genderongelijkheid. Ook hier geldt dat een kortere werkweek alleen niet álle problemen zal oplossen. Er is zeker ook een cultuuromslag nodig, waarbij mannen bijvoorbeeld meer huishoudelijke taken opnemen. Andere instrumenten, zoals quota voor vrouwen in het bedrijfsleven of een langere periode van vaderschapsverlof, kunnen ook een rol spelen. Maar als meer vrouwen aan de slag kunnen gaan in een voltijdse, maar kortere werkweek, kan dat wel een belangrijke rol spelen in het tot stand brengen van meer gendergelijkheid. Het is dan ook niet toevallig dat de vrouwenbeweging vandaag één van de belangrijkste voorvechters is van een kortere werkweek (zie ook de bijdrage van Riet Ory in dit nummer van Sampol).

Werkgelegenheid

Een vierde positieve impact die arbeidsduurvermindering zou kunnen hebben, is dat het voor meer werkgelegenheid kan zorgen. De vraag of en hoe dat kan gebeuren, leidt tot een complexe discussie. Op het eerste gezicht lijkt het logisch dat een kortere werkweek voor meer werkgelegenheid kan zorgen. Stel dat er 160 uur werk nodig is voor een bepaalde taak. In een werkweek van 40 uur betekent dat dat er vier werknemers nodig zijn om dat werk te doen (4 x 40 uur = 160 uur). Als de werkweek wordt ingekort tot 32 uur, moeten er echter vijf werknemers aangeworven worden (5 x 32 uur = 160 uur).

Dat wordt nog meer relevant als de automatisering in de toekomst een hoge vlucht zou nemen. De discussie over de impact van robots, digitalisering en automatisering op het aantal jobs is nog volop aan de gang. Volgens de meest spectaculaire schattingen zou maar liefst 54% van de bestaande jobs in Europa het risico lopen te verdwijnen; in België gaat het om 50,38%.[10] Als dat het geval is, betekent dat dat de hoeveelheid betaalde arbeid die nodig is om onze maatschappij te laten draaien, sterk zou verminderen. Herverdeling van arbeid lijkt daarbij een betere oplossing dan een gepolariseerde arbeidsmarkt met een groter percentage werklozen en een kleiner aantal hard werkenden. Zoals de Amerikaanse vakbondsman Samuel Gompers al zei in 1887: ‘Zolang er één man is die werk zoekt en het niet kan vinden, zijn de werkuren te lang’.

Anderen stellen echter dat het zo’n vaart niet zal lopen. Ze verwijzen daarbij naar het verleden, toen automatisering gepaard ging met steeds nieuwe jobs. De grote vraag daarbij is natuurlijk of de geschiedenis zich zal herhalen, en of de komende golf van technologische vernieuwing niet anders is dan in het verleden. Een andere vraag, waar we hier niet dieper op ingaan, is of de nieuwe jobs allemaal wel maatschappelijk even noodzakelijk zijn, het fenomeen van de zogenaamde ‘bullshit jobs’.[11]

Naast de vraag of en hoe automatisering de werkgelegenheid zal beïnvloeden, is de praktijk een stuk ingewikkelder dan het voorbeeld hierboven doet geloven. Ten eerste verwijzen economen vaak naar de ‘lump of labour fallacy’. Daarmee bedoelen ze dat de gedachte dat er een vaste hoeveelheid arbeid moet gedaan worden, fout is. De redenering is dat de vraag naar arbeid dynamisch is, en als de vraagzijde in de economie groeit door meer investeringen en consumptie, of als arbeid goedkoper gemaakt wordt, zal de vraag naar arbeid ook groeien.

Die opmerking is deels terecht, maar niet altijd even relevant. Want zelfs als we die kritiek aanvaarden, is het maar de vraag of we na de intrede van de vrouw op de arbeidsmarkt nog op de ‘traditionele’ manier tot volledige tewerkstelling kunnen komen. Bovendien moeten we ons afvragen of - als het al mogelijk is - het ook wenselijk is om via meer economische groei of goedkopere arbeid meer werkgelegenheid te creëren. Als we dat niet wenselijk vinden, zijn er al veel minder mogelijkheden om extra tewerkstelling te creëren. In dat geval is herverdeling van arbeid zeker en vast een belangrijke manier om te zorgen voor minder werkloosheid.[12]

Een tweede moeilijkheid om via arbeidsduurvermindering werk te herverdelen is dat werknemers niet perfect substitueerbaar zijn. Werklozen kunnen een ander profiel (opleiding, vaardigheden, …) hebben dan werkenden. Om de werkloosheid te verminderen zou dus moeten worden ingezet op opleiding en training van werklozen. Bovendien is werk niet altijd deelbaar. Leidinggevende, coördinerende of complexe functies kunnen niet zomaar opgedeeld worden. Een cultuuromslag, met meer minder hiërarchische en meer gedeelde vormen van leiderschap, zou daar echter een gedeeltelijke oplossing voor kunnen zijn.

De terechte bedenkingen betekenen dus zeker niet dat een kortere werkweek helemaal geen positieve effecten kan hebben. Studies tonen ook aan dat arbeidsduurvermindering, als die op een goede manier wordt ingevoerd, soms kan leiden tot meer werkgelegenheid.[13] Ook tijdens de economische crisis bleek arbeidsduurverkorting een effectief middel om werkloosheid tegen te gaan. Bij herstructureringen bij individuele ondernemingen kan het de tewerkstelling op een directe manier op peil houden, zoals de bijdragen van Stan De Spiegelaere (over Volkswagen) en Wies Descheemaeker (over de VRT) in dit nummer van Sampol aangeven. Zeker in de publieke sector zou ook nagedacht kunnen worden om arbeidsduurvermindering te laten samengaan met extra tewerkstelling, zodat het aantal gewerkte uren in totaal op peil blijft. Zo leidde het experiment in een rusthuis in Göteborg rechtstreeks tot extra werkgelegenheid (zie de bijdrage van Olivier Pintelon daarover in dit nummer van Sampol).

Tot slot is het uiteraard belangrijk om naast een contractuele arbeidstijdverkorting ook een reële arbeidstijdverkorting te bewerkstelligen. Als een contractuele vermindering van de arbeidsduur niet leidt tot een werkelijke vermindering, bijvoorbeeld doordat meer overuren worden geklopt, dan zal de invloed op de werkgelegenheid uiteraard ook verdwijnen. Dat was bijvoorbeeld grotendeels het geval in Nederland in de jaren 1980.[14] Daarnaast kan een kortere werkweek ook leiden tot een hogere productiviteit, zoals we hieronder zullen bespreken. Ook dat effect beperkt uiteraard de positieve impact op de werkgelegenheid.

Gezondere & productievere werknemers

Een vijfde voordeel van arbeidsduurvermindering zou kunnen zijn dat het zorgt voor gezondere en dus ook productievere werknemers. Arbeidstijd en gezondheid zijn inherent verbonden. Toen de Europese Unie in 1993 de eerste Arbeidstijdrichtlijn goedkeurde, baseerde men zich op een wetsartikel over veiligheid en gezondheid op de werkplek. Ook in de Internationale Arbeidsorganisatie werd de link tussen werkuren en gezondheid expliciet gemaakt.[15]

De gezondheid zou kunnen verbeteren dankzij minder stress en een betere combinatie van arbeid en gezin. Zowel voor de werknemer, de onderneming als de maatschappij zijn de kosten van afwezigheid wegens ziekte hoog. Die kosten zouden dus kunnen verminderen dankzij een kortere werkweek. Overwerkte werknemers leiden ook tot meer fouten en accidenten.[16] Bij de rampen van onder meer Tsjernobyl, de Challenger en Exxon Valdez speelden overwerkte werknemers een fatale rol. Daarmee gerelateerd kan arbeidsduurvermindering ook zorgen voor een betere dienstverlening. Gezonder en gelukkiger werknemers kunnen meer aandacht besteden aan de klantentevredenheid.

Er bestaat bovendien onderzoek dat erop wijst dat meer dan 40 uur werken per week je minder productief maakt[17] en zou leiden tot een grotere kans op een beroerte.[18] Uit Australisch onderzoek zou zelfs blijken dat bij veertigplussers de productiviteit al vermindert als de werkweek langer duurt dan 25 uur.[19] Minder uren kunnen dus ook de productiviteit verhogen.[20]

Een andere mogelijk effect zou kunnen zijn dat werknemers op latere leeftijd langer aan het werk kunnen blijven. Een meer ontspannen loopbaan in plaats van de zogenaamde ‘citroenloopbaan’ zou op die manier de kosten voor de sociale zekerheid verminderen. Dat is echter geen absolute zekerheid, en langdurig onderzoek zou daar meer inzicht in moeten verschaffen.[21]

Klimaatverandering

Tot slot wordt arbeidsduurvermindering ook aangehaald als middel(tje) om de klimaatverandering tegen te gaan. Daarbij zijn er diverse logica’s aan het werk. Sommige studies gaan ervan uit dat een kortere werkweek gepaard gaat met inkomensverlies, waardoor er minder geconsumeerd wordt en er dus minder CO2-uitstoot is. Zoals we hieronder zullen zien, is inkomensverlies zeker niet de enige optie om de kostprijs van een kortere werkweek te betalen. Bovendien, als de werkloosheid zou dalen zoals hierboven beschreven, zal het inkomen van sommigen toenemen waardoor ze meer kunnen consumeren, en wordt het positieve effect van een kortere werkweek op de CO2-uitstoot dus gedeeltelijk geneutraliseerd.

Daarnaast kan een kortere werkweek ook leiden tot andere consumptiepatronen.[22] Enerzijds biedt meer vrije tijd de mogelijkheid op meer duurzame keuzes op vlak van bijvoorbeeld voedsel of transport. Anderzijds kan meer vrije tijd ook leiden tot niet-duurzame consumptie zoals vliegtuigreizen. De effecten zijn dus moeilijk in te schatten en onderhevig aan grote onzekerheid, al bestaat er enige evidentie dat minder betaalde arbeid leidt tot een duurzamer consumptiepatroon.[23]

In elk geval zal de CO2-uitstoot ceteris paribus normaal hoger zijn bij volledige werkgelegenheid in een 40-urenweek, dan bij volledige werkgelegenheid in bijvoorbeeld een 30-urenweek. Volgens bestaande studies zou een vermindering van de werktijd met 1% het energiegebruik en de CO2-uitstoot verminderen met 0,7 à 1,5%.[24] Het is geen toeval dat overheden die energie wilden besparen in het verleden overgingen tot kortere werkweken.[25]

We moeten de mogelijkheden van arbeidsduurvermindering in de strijd tegen de klimaatopwarming niet overschatten. Er zal véél meer nodig zijn dan een kortere werkweek. Maar minder productie en consumptie is één van de belangrijkste middelen om de CO2-uitstoot te verminderen, en samen met een wijziging van de waarden, prioriteiten en consumptiepatronen, kan een kortere werkweek wel één van de sociaal rechtvaardige instrumenten zijn.

IS ARBEIDSDUUR WEL WENSELIJK EN HAALBAAR?

De tegenstanders van collectieve arbeidsduurvermindering baseren zich hoofdzakelijk op twee argumenten (naast het nuanceren of minimaliseren van de voordelen): (1) het is niet wenselijk; (2) het is niet haalbaar. Hieronder bespreken we beide argumenten.

‘Het is niet wenselijk’?

Een eerste grote tegenkanting is dat een collectieve arbeidsduurvermindering niet wenselijk is. Volgens tegenstanders willen veel mensen niet minder werken. Zij die dat wel willen, kunnen een beroep doen op individuele stelsels. Zo is sinds 2000 het aantal werknemers in een viervijfdewerkregime verdubbeld tot 482.000.[26] Het percentage deeltijdse loontrekkenden is toegenomen van 8,3% in 1983 tot 26,7% in 2015.[27] Sommige tegenstanders van een collectieve arbeidsduurvermindering vinden dit een goede zaak. Zoals Jan Denys schrijft: ‘Kiezen voor meer vrije tijd is voor mij op individueel niveau een volstrekt legitieme keuze. Het staat echter buiten kijf dat er door de burgers/gezinnen de voorbije decennia meer is gekozen voor hogere welvaart dan voor meer vrije tijd’.[28]

Er zijn echter inherente problemen verbonden aan individuele vormen van arbeidsvermindering.

Ten eerste, zoals hierboven werd beschreven, leidt het tot genderongelijkheid, doordat vrouwen er veel meer voor ‘kiezen’ dan mannen om tot individuele stelsels van arbeidsduurvermindering toe te treden. Om de gendergelijkheid te versterken, is een kortere werkweek dus te verkiezen boven systemen van tijdskrediet en deeltijds werk.

Ten tweede leidt het tot nieuwe vormen van ongelijkheid: zij die het zich kunnen permitteren om loonverlies te lijden door minder te werken tegenover zij die zich dat niet kunnen permitteren. Voor alleenstaande ouders, bij wie de combinatie werk en gezin vaak net het moeilijkst verloopt, is het bijvoorbeeld vaak niet haalbaar om loonverlies te lijden. Uit onderzoek blijkt dan ook dat tijdskrediet vooral een zaak is van hoopopgeleide en samenwonende vrouwen.[29] Er is daar dus sprake van een matteüseffect: de publieke middelen vloeien vooral naar de hoger inkomensgroepen.

Ten derde hangt het af van machtsrelaties op de werkvloer; niet iedereen kan zomaar tegen zijn/haar chef zeggen dat hij/zij deeltijds wil werken. Het is naïef om te denken dat elke werkgever openstaat voor werknemers die graag minder willen werken.

Ten vierde is er een sociale norm van werktijden en consumptiepatronen. Mensen zijn sociale dieren, en vergelijken zich met de andere leden van de samenleving. Keeping up with the Joneses, zoals dat heet: de consumptiepatronen van de buren proberen bij te houden. Als we effectief een andere vorm van werken en leven willen promoten, met ook een andere manier van consumeren en de bijbehorende klimaatwinst, dan kan dat enkel collectief.

Collectieve arbeidsduurvermindering lijkt dus een veel betere optie dan individuele stelsels van arbeidstijdverkorting. Dat betekent uiteraard niet dat mensen die meer willen werken, dat niet meer kunnen. Ook vandaag werkt niet iedereen exact 38 uren. Het betekent wel dat de collectieve norm verandert, zodat een kortere werkweek het nieuwe voltijds wordt, met alle loonvoorwaarden, sociale rechten en carrièreperspectieven die daaraan verbonden zijn.

‘Het is niet haalbaar’?

Het tweede grote tegenargument is dat collectieve arbeidsduurvermindering wel een mooi idee is, maar dat het niet haalbaar is. Dit argument wordt al te snel gebruikt, en heeft er mee toe bijgedragen dat onze verbeelding van een betere toekomst is verdwenen. Vaak is haalbaarheid eerder een kwestie van sociale strijd en herverdeling.

Uit een simulatie van Poliargus bleek eerder dat we op vrij korte termijn naar een 35-urenwerkweek zouden kunnen gaan.[30] Bovendien zijn er heel wat mogelijke positieve effecten van een reductie van de arbeidstijd die vaak niet worden meegerekend. Wat met de winst voor de sociale zekerheid doordat er minder ziekteverzuim zou zijn, doordat er minder werkloosheid zou zijn, doordat er meer mensen voltijds werken in plaats van deeltijds, en doordat mensen op latere leeftijd langer aan de slag kunnen/willen blijven? Of wat met de mogelijke klimaatwinst als gevolg van een kortere werkweek? En wat met de betere dienstverlening die gezondere en minder vermoeide werknemers zouden kunnen bieden?

Het argument over de haalbaarheid leidt ons wel tot een cruciale vraag: wie zal de kostprijs van collectieve arbeidsduurvermindering betalen? Daarbij zijn er grofweg vier mogelijkheden, die we hier beknopt zullen bespreken.

Ten eerste kan de werknemer zelf een deel loonverlies lijden. Zeker voor laagbetaalde werknemers is dat echter moeilijk. Daarom pleiten verschillende voorstanders van een kortere werkweek voor arbeidsduurvermindering mét loonbehoud. De degrowth-beweging stelt dan weer voor om de reductie zo te organiseren dat enkel de 10% hoogste inkomens inkomensverlies lijden door een kortere werkweek.[31]

Ten tweede kan de werkgever de kosten dragen. Als het brutoloon gelijk blijft en de werknemer minder produceert, stijgen de arbeidskosten voor de werkgever. De gevolgen daarvan zijn afhankelijk van vele factoren: de sector, de blootstelling aan internationale concurrentie, kleine ondernemingen of grote multinationals, de huidige winstvoet, … In sommige ondernemingen is dat perfect haalbaar, terwijl het bij andere ondernemingen tot meer problemen kan leiden. Bij de overheid als werkgever zou het de kosten voor de belastingbetaler doen stijgen. Daar staat tegenover dat dat deels gecompenseerd zou kunnen worden door lagere kosten voor de sociale zekerheid, zoals hierboven werd geopperd.

Een derde mogelijkheid is dat de overheid de private ondernemingen compenseert via bijvoorbeeld subsidies of lastenverlagingen. Bij stelsels van deeltijds werk en loopbaanonderbreking springt de overheid nu al vaak bij. Een collectieve arbeidsduurvermindering zouden we dus ook collectief kunnen betalen via de belastingen. Als de progressiviteit van die belastingen kan worden versterkt, zou een voordeel zijn dat vermogenden meer bijdragen dan lagere inkomens. Een nadeel is dat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen ondernemingen die de kosten zelf kunnen dragen en ondernemingen die dat niet kunnen. Dat betekent dat sterke ondernemingen een cadeau krijgen dat ze niet nodig hebben. Bovendien is het in het huidige klimaat, waarin belastingen vaak als iets inherent negatiefs beschouwd worden, waarschijnlijk niet het beste idee om nog een extra last op de overheidsuitgaven te leggen.

Tot slot is er de laatste mogelijkheid: productiviteitsstijgingen. In het verleden zijn die stijgingen zeer belangrijk geweest. Als die omgezet worden in minder werkuren, betekent dat dat arbeidsduurvermindering kan worden doorgevoerd zonder loonverlies voor de werknemer en zonder winstverlies voor de aandeelhouder. Het is dus een ‘gemakkelijker’ manier om een kortere werkweek te betalen, aangezien er geen verliezers zijn.

Het grote probleem is dat de productiviteitsstijging de afgelopen decennia is afgenomen, en zeker na de crisis zeer laag is. In 2016 was daalde de arbeidsproductiviteit in België zelfs met 0,3%.[32] De vraag is of dat een tijdelijk of permanent fenomeen is. Techno-optimisten zullen stellen dat de robotisering en automatisering de productiviteitsgroei zullen aanwakkeren in de komende decennia. Pessimisten zoals Robert Gordon menen dan weer dat de hoogdagen van de productiviteitsgroei voorbij zijn.[33] Er is een groot debat aan de gang over de oorzaken van de ‘seculaire stagnatie’.

Als de productiviteitsstijgingen in de toekomst kleiner zullen zijn, betekent het in elk geval dat de gemakkelijke weg naar een kortere werkweek minder voor de hand ligt. In dat geval zal collectieve arbeidsduurvermindering betaald worden of door de werknemer, of door de werkgever, of de overheid. In elk geval betekent dat dat sociale strijd en de arbeidersbeweging nog veel sterker voor de dag zullen moeten komen om een reductie van de arbeidstijd af te dwingen.

CONCLUSIE

In deze bijdrage heb ik de discussies rond de voor- en nadelen van collectieve arbeidsduurvermindering besproken, in de vorm van een kortere werkweek. De rode draad is dat een kortere werkweek kan bijdragen tot meer vrijheid en zelfontplooiing, een betere balans tussen werk en privé, meer gendergelijkheid, minder werkloosheid, gezondere en productieve werknemers en het tegengaan van klimaatverandering. Arbeidstijdverkorting is geen wondermiddel, maar kan wel een belangrijke rol spelen, zeker in combinatie met andere factoren zoals een culturele omslag op vlak van genderrollen en consumptiepatronen. Bovendien werd gesteld dat collectieve arbeidsduurvermindering sterk te verkiezen valt boven individuele vormen van een reductie van de arbeidstijd. Eén van de belangrijkste vragen daarbij is hoe de arbeidsduurverkorting betaald zal worden: door de werknemer, werkgever, overheid, of via productiviteitsstijgingen.

Zoals misschien al duidelijk is geworden, is de rol van een sterke arbeidersbeweging, sociale strijd en sociale bewegingen cruciaal. Ten eerste om de kortere werkweek af te dwingen. Ten tweede om te vermijden dat een kortere werkweek gepaard gaat met een hogere werkdruk of meer overuren. Ten derde om via werkgelegenheidsplannen te zorgen dat arbeidsduurvermindering effectief gepaard gaat met meer tewerkstelling. Ten vierde om te verzekeren dat de kostprijs van arbeidstijdverkorting op een sociale en progressieve manier vertaald wordt.

En tot slot, om eerst en vooral terug de verbeelding aan het werk te zetten. Zodat mensen de 38-urenwerkweek niet als iets natuurlijks beschouwen en weer kunnen dromen van meer controle over hun tijd. Zodat meer werken opnieuw als een teken van achteruitgang wordt gezien, en minder werken als een teken van vooruitgang. En zodat we in een verre toekomst allemaal George Jetson kunnen worden.

Deze bijdrage verscheen eerder in Samenleving en Politiek (Februari 2017)

Sacha Dierckx
Wetenschappelijk medewerker bij denktank Minerva

 

[1] http://citeseerx.ist.psu.edu/viewdoc/download?doi=10.1.1.148.5011&rep=rep1&type=pdf.

[2] OECD Statistics.

[3] http://www.plan.be/admin/uploaded/200605091448057.PP080nl.pdf.

[4] http://www.serv.be/sites/default/files/documenten/StIA_20170125_WerkbaarheidsmonitorWerknemers2016_RAP.pdf.

[5] http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.2665320.

[6] http://www.informatieportaalssl.be/archiefloopbanen/publi_upload/OD2_2010_21vLaurijssenArbeidgezin.pdf.

[7] http://economie.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/arbeid_leven/werk/deeltijds/regime/.

[8] Versantvoort, M. (2008). Streven naar het Scandinavische model? Effecten van ouderschapsverlof op de arbeidsmarktpositie van vrouwen. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 24 (2), pp. 189-207.

[9] Askenazy, P. (2013). Working time regulation in France from 1996 to 2012. Cambridge Journal of Economics, 37 (2), pp. 323-347.

[10] http://bruegel.org/2014/07/chart-of-the-week-54-of-eu-jobs-at-risk-of-computerisation/.

[11] https://decorrespondent.nl/2436/Stel-jezelf-de-vraag-heeft-mijn-werk-eigenlijk-wel-zin-/93652020-2cb6d807.

[12] Zie ook Baker, D. & Bernstein, J. (2013). Getting back to full employment: a better bargain for working people. Washington DC: Center for Economic and Policy Research.

[13] Zie bijvoorbeeld ILO (2013). Work sharing during the Great Recession: new developments and beyond. Genève: International Labour Organization. / Assemblée Nationale (2014). Rapport fait de la commission d’enquête sur l’impact sociétal, social, économique et financier de la réduction progressive du temps du travail.

[14] De Beer, P. (2012). De arbeidstijdverkorting die niet door ging en andere lessen uit de jaren tachtig. TPEdigitaal, 6 (3/4), pp. 45-62.

[15] Lee, S., McCann, D. & Messenger, J. C. (2007). Working time around the world: trends in working hours, laws and policies in a global comparative perspective. Abingdon: Routledge.

[16] Pencavel, J. (2015). The productivity of working hours. The Economic Journal, 125 (589), pp. 2052-2076.

[17] Virtanen, M. et al. (2009). Long working hours and cognitive function: The Whitehall II Study. American Journal of Epidemiology, 169 (5), pp. 596-605.

[18] Kivimäki, M. et al. (2015). Long working hours and risk of coronary heart disease and stroke: a systematic review and meta-analysis of published and unpublished data for 603 838 individuals. The Lancet, 386 (10005), pp. 1739-1746.

[19] https://www.melbourneinstitute.com/downloads/working_paper_series/wp2016n07.pdf.

[20] De New Economics Foundation geeft in enkele voorbeelden van arbeidsduurvermindering ook aan dat de productie minder afnam dan de werktijd, dankzij een hogere productiviteit. Zie https://b.3cdn.net/nefoundation/f49406d81b9ed9c977_p1m6ibgje.pdf.

[21] Na de introductie van de 35-urenweek in Frankrijk verhoogde de werkzaamheidsgraad van oudere werknemers, maar het is moeilijk vast te stellen of er een causaal verband was.

[22] Zie bijvoorbeeld https://b.3cdn.net/nefoundation/f49406d81b9ed9c977_p1m6ibgje.pdf.

[23] Zie Coote, A. & Franklin, J. (eds.) (2013). Time on our side: why we all need a shorter working week. London: NEF.

[24] Nässén, J. & Larsson, J. (2015). Would shorter working time reduce greenhouse gas emissions? An analysis of time use and consumption in Swedish households. Environment and Planning C: Government and Policy, 33 (4), pp. 726-745. / http://cepr.net/documents/publications/climate-change-workshare-2013-02.pdf. Zie ook http://www.yesmagazine.org/issues/new-livelihoods/less-work-more-living.

[25] Zoals de Amerikaanse staat Utah, die in 2008-2009 overstapte op een vierdagenwerkweek voor ambtenaren, of Venezuela, dat door de elektriciteitscrisis in 2015 overstapte van een werkdag van 8 à 9 uren voor ambtenaren naar een werkdag van 5,5 uur.

[26] http://www.standaard.be/cnt/dmf20161011_02512829.

[27] http://economie.fgov.be/nl/binaries/LFS%201983-2015_NL_21MAR16_tcm325-261832.XLS.

[28] http://www.knack.be/nieuws/belgie/waarom-een-kortere-werkweek-geen-goede-zaak-is/article-opinion-582323.html.

[29] Cantillon, B. et al. (2010). De sociale gelaagdheid van het gebruik van verlofstelsels door ouders met jonge kinderen. Antwerpen: Centrum voor Sociaal Beleid.

[30] http://www.knack.be/nieuws/belgie/waarom-een-kortere-werkweek-een-goede-zaak-is/article-opinion-582319.html.

[31] https://theleapblog.org/yes-we-can-prosper-without-growth-10-policy-proposals-for-the-new-left/.

[32] http://www.knack.be/nieuws/belgie/belgische-productiviteit-keldert/article-normal-806185.html.

[33] Gordon, R. J. (2016). The rise and fall of American growth: the U.S. standard of living since the Civil War. Princeton: Princeton University Press.

Onderwijs als koopwaar? CETA en de vermarkting van de openbare diensten