Onderwijs als koopwaar? CETA en de vermarkting van de openbare diensten

Woensdag 15 februari boog het Europees Parlement zich over het CETA-verdrag. Een meerderheid stemde in met de ratificatie, wat grote gevolgen zou kunnen hebben voor de toekomst van het Europese sociale model. In deze tekst wil ik niet stilstaan bij de elementen van CETA die tot hiertoe het meeste bezwaar opriepen. Het is eerder mijn opzet om aan te tonen op welke manieren CETA nieuwe zakenopportuniteiten creëert voor transnationale bedrijven die de openbare diensten tot hun jachtterrein hebben verklaard. Naast de neerwaartse druk op arbeidsrechten, voedselveiligheidsstandaarden, consumentenrechten en milieunormen dreigt CETA een nieuwe dynamiek van liberalisering en privatisering op gang te brengen. Onderwijs als koopwaar? Met CETA zijn we terug een stap dichter bij de verdringing van democratische en sociale waarden door de logica van ruilwaarde.

 

“Garanties” ?

Een coalitie van sociale bewegingen (bv. Corporate Europe Observatory) en vakbonden waaronder EPSU, de Europese Federatie van overheidsvakbonden, noemt CETA, TTIP en TISA een gevaar voor de openbare diensten. Amerikaanse en Canadese multinationals waren vragende partij om de openbare diensten op te nemen in de verdragen en hebben hun slag grotendeels thuisgehaald.

“Liberalisering zal gelden voor alle diensten behalve voor degenen waarvoor een expliciete uitzondering werd gemaakt.”

Wat CETA betreft hebben de EU en Canada namelijk gewerkt met een zogenaamde negatieve lijst. Hierdoor zal liberalisering gelden voor alle diensten behalve voor degenen waarvoor een expliciete uitzondering werd gemaakt.

Ook de openbare diensten kunnen zich dus verwachten aan concurrentie van over de oceaan. Als gevolg van het sociale protest hiertegen probeerde de Europese Commissie aan damage control te doen door een aantal uitzonderingen voor de openbare diensten toe te staan. Deze “uitzonderingen” moeten garanderen dat overheden nog steeds de controle zullen uitoefenen over de dienstverlening van publieke goederen. Voor het onderwijs zijn er twee van belang:

  1. Nationale, regionale en lokale overheden hebben het recht om te bepalen wat zij als een publieke dienst of goed beschouwen. De overheid mag deze dienst zelf uitvoeren (intern monopolie) of een exclusief recht toekennen aan een privébedrijf. In vrijhandelsverdragen van de EU is er een uitzondering voor “diensten aangeboden door de overheid in het kader van haar bestuurlijke autoriteit (governmental authority)”. Het gaat om niet-commerciële overheidsdiensten die geen concurrentie kennen van andere dienstverleners.
  2. Volgens de Europese Commissie zijn lidstaten niet verplicht om hun markten te openen voor “publiek gefinancierde” gezondheidszorg, sociale diensten, onderwijs en watervoorzieningen. Voor deze diensten zijn de Europese onderhandelaars geen verbintenis tot liberalisering aangegaan.

 

Wat is “publiek gefinancierd onderwijs?

Er zijn echter redenen tot bezorgdheid. De notie “publiek gefinancierd” komt niet voor in de bepalingen van het Verdrag van de EU en is dus onvoldoende juridisch afgedekt. Er kan géén duidelijke lijn getrokken worden tussen publiek en privaat gefinancierde of verschafte diensten. Het blijft daardoor ook onduidelijk tot hoever de uitsluitingen op basis van de notie “publiek gefinancierd” werkelijk strekken. Want wat wil “publiek gefinancierd” onderwijs eigenlijk zeggen? Volgens burgerplatform EUCIS-LLL vallen hieronder slechts de eerste en tweede graad, hogescholen en universiteiten. Probleem is dat er voor al deze zaken en begrippen geen Europese definitie bestaat. Net zoals er ook voor publiek en privé geen eensluidende definitie voorhanden is. De situatie is voor ieder land volledig anders.

Naar financiering toe zijn onderwijssystemen in Europa op de koop toe ook bijzonder divers. Mengvormen van zowel private als publieke financieringsvormen komen vaak voor. Zo merkt de Europese onderwijsvakbond ETUCE op dat onderwijssystemen in de EU en de VS vaak bestaan uit een mix van “not-for-profit” en commerciële dienstverleners, van publieke en private voorzieningen. Wat bijvoorbeeld met de PPS-constructies die de Vlaamse overheid voor de constructie van scholen en zorginstellingen opzet? Indien private partners (banken, bouwbedrijven etc.) een deel van de financiering op zich nemen, kunnen onze scholen dan nog wel als “publiek gefinancierd” worden beschouwd?

Het afbakeningsprobleem stelt zich niet alleen voor primaire en secundaire scholen maar ook voor volwassenonderwijs en hoger onderwijs. Iedere lidstaat heeft zijn eigen manier van wetgeving en financiering van volwassen- en hoger onderwijs. Vaak gaat het om mengvormen van private en publieke financiering. Universiteiten steunen meer en meer op private financiering (denk maar aan de gedeeltelijke beursgang van de VUB) of doen een beroep op PPS om infrastructuur te financieren.

 

Democratie krijgt een knauw

De resolutie in CETA met betrekking tot de uitzonderingsmaatregelen voor “publiek gefinancierde” diensten laat heel wat vragen onbeantwoord. Van hoeveel publieke financiering moet er sprake zijn om van een openbare dienst te mogen spreken? En omgekeerd, vanaf hoeveel private financiering is een openbare dienst geen openbare dienst meer? Kortom, CETA voorziet in een grijze zone waarvan private dienstverleners in de onderwijssector maximaal kunnen profiteren. De onduidelijkheid stelt hen in staat om te argumenteren dat bv. de inschrijvingsgelden voor de universiteiten een private financieringsbron zijn. Indien ze deze zaak aanhangig zouden maken voor een ICS-tribunaal dat vervolgens ook een positief oordeel velt, dan hebben ze de weg vrij om activiteiten te ontplooien.

“Amerikaanse concerns maken zich al klaar om stukken van het hoger onderwijs over te nemen.”

Amerikaanse concerns zoals de Kaplan Group, ook actief in Canada, maken zich al klaar om stukken van het hoger onderwijs en het taal- en volwassenonderwijs over te nemen. Zo komt het hoger onderwijs als een openbare dienst in het gedrang. Bovendien dreigt ook de democratische besluitvorming een grote knauw te krijgen. CETA bevat ook "standstill" en "ratchet"-mechanismen die tot doel hebben om de huidige en toekomstige liberaliseringen te vergrendelen. Deze mechanismen maken het voor een overheid zeer moeilijk om een privatisering van onderwijsdiensten terug te draaien. Zo komt de democratie in het gedrang omdat burgers het recht verliezen om te bepalen welke de maatschappelijke noden zijn waaraan een overheid onder de vorm van openbare diensten moet beantwoorden.

 

Een “carve out” voor onderwijs?

Omwille van de grensvervaging tussen publiek en privé vroeg ETUCE samen met EPSU en het Europees Vakverbond (EVV) om onderwijs op de lijst van niet-onderhandelbare onderwerpen te zetten. De vakbonden willen af van de financieringsbron als criterium en beklemtonen dat onderwijs een openbare dienst is die toegankelijk moet zijn voor iedereen. Herhaaldelijk hebben de vakbonden gevraagd om de openbare diensten in hun totaliteit niet op te nemen in het vrijhandelsverdrag. Het Europees Parlement heeft de Commissie krachtdadig aanbevolen om de openbare diensten uit te sluiten van bilaterale en internationale handelsverdragen. En dit onafhankelijk van de manier waarop deze diensten gefinancierd en georganiseerd zijn.

De Europese Commissie wou echter niet weten van een volledige “carve out” out voor de openbare diensten. Ze beklemtoont dat de uiteindelijke beslissing bij de lidstaten ligt. In het CETA-akkoord staat dat de EU zichzelf het recht voorbehoudt om maatregelen (bv. inzake markttoegang) te nemen met betrekking tot het aanbod van alle onderwijsdiensten die publieke financiering of staatssteun krijgen. Er werd dus geen rekening gehouden met de bekommernissen omtrent de vervaging tussen het publieke en private. Bovendien behoudt de EU zich niet het recht voor om maatregelen te nemen met betrekking tot privaat gefinancierde onderwijsdiensten voor basisonderwijs, secundair onderwijs, hoger onderwijs en volwassenonderwijs. Niet in CETA, maar ook niet in de eerste en tweede lijst van Europese voorstellen inzake TTIP.

 

Schuif het af op de lidstaten

Verschillende lidstaten hebben individueel zich wel het recht voorbehouden om maatregelen te nemen met betrekking tot deze privaat gefinancierde dienstverleners. Sommige landen zijn hierin redelijk strikt. Griekenland gaf te kennen dat hoger onderwijs alleen door instellingen met publieke rechtspersoonlijkheid mag verschaft worden. Andere landen werken met laksere beperkingen. Zo stelt Slowakije dat een private dienstverlener reeds gevestigd moet zijn in een ander EU-land om toegang tot de markt te kunnen aanvragen. Het volstaat dan al dat één lidstaat zich géén verdere rechten heeft voorbehouden en maar wat graag zou fungeren als Europees bruggenhoofd voor Canadese en Amerikaanse private dienstverleners.

“De Belgische overheid heeft het helemaal nagelaten om bijkomende restricties in te lassen in het CETA-akkoord.”

Een land als België misschien? De Belgische overheid heeft het helemaal nagelaten om bijkomende restricties in te lassen in het CETA-akkoord. Noch voor het basisonderwijs, noch voor secundair en hoger onderwijs. Overigens ook niet in het kader van de TTIP-onderhandelingen met de VS. Dat blijkt uit de tweede Europese lijst van voorstellen aan de VS inzake de liberalisering van de dienstensectoren die in juli 2015 werd bekendgemaakt. Kortom, het lappendeken aan uitzonderingen en restricties kan onmogelijk voldoende bescherming bieden tegen liberalisering en privatisering van onderwijs.

 

De verschillende benadering van Canada en de EU

Canada daarentegen lijkt géén onderscheid te maken naar financieringsbron. In het CETA-akkoord staat dat Canada zich het recht voorbehoudt om maatregelen te nemen of handhaven met betrekking tot “social services established or maintained for a public purpose”. Onder dergelijke “maatschappelijke diensten voor een publiek doel” verstaat Canada onder andere de sociale zekerheid, sociaal welzijnswerk, maar ook publiek onderwijs. Canada stelt dus de notie “publiek doel” centraal. Financiering – privaat of publiek – speelt hier géén rol als criterium.

De Europese Commissie had de onderhandelingen ook zo moeten aanpakken. Alleen dit zou consequent geweest zijn met het model van openbare diensten dat de EU promoot en in het Verdrag van Lissabon heeft verduidelijkt. De EU maakt hierin géén onderscheid tussen het publieke of private karakter van een dienstverlener. De nadrukt ligt op de bescherming van het “algemeen belang.” Op basis van deze verdragsmatige definities en bepalingen zou het mogelijk geweest zijn om de openbare diensten, onafhankelijk van hun financiering, uit te sluiten van het CETA-verdrag. Zover is het helaas niet gekomen. Er is in het verdrag géén enkele uitzondering te vinden die ook maar enigszins betrekking heeft op diensten van algemeen belang.

“Sterke openbare diensten zijn altijd al een cruciale pijler van het Europese sociaal model geweest.”

Sterke openbare diensten zijn altijd al een cruciale pijler van het Europese sociaal model geweest. Het is aan de overheid om onderwijs, zorg en openbaar vervoer aan te bieden aan de burgers van een land. Niet alleen omdat de overheid hierin vaak efficiënter is dan de privésector; vooral omdat alleen de overheid ervoor kan zorgen dat iedereen toegang heeft tot betaalbare diensten. In sectoren als onderwijs en zorg moet gebruikswaarde en dienstbaarheid primeren op ruilwaarde en winsthonger. Wil de EU nog een rol spelen in het wereldgebeuren, dan moet het afstand nemen van gefaalde neoliberale recepten en opnieuw achterhalen waar Europa voor staat. Dit vergt een kritische omgang met uiterst waardevolle Europese sociale en culturele tradities zoals de verzorgingsstaat en het streven naar de zelfontplooiing van elke mens. Het komt erop aan onze eigenheid te behouden, zonder evenwel in het verleden te blijven hangen.

 

Dries Goedertier is als onderzoeker verbonden aan de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Gent en is sinds 2015 stafmedewerker voor de ACOD. Een eerdere versie van deze gastbijdrage verscheen op apache.

De kortere werkweek: contouren van een belangrijk debat

Zijn werknemersvertegenwoordigers "overbeschermd"?

Zijn werknemersvertegenwoordigers "overbeschermd"?