Laat bbp-groei varen als economisch kompas

Het uitblijven van bbp-groei hoeft geen reden te zijn tot angst of paniek. Sterker nog, er zijn duidelijke aanwijzingen om aan te nemen dat bbp-groei vaarwel zeggen een kans is om rechtstreeks in te zetten op duurzame welvaart en een billijke welvaartsverdeling. De enige ingrediënten die nodig zijn, zijn hoop en moed. Hoop om de toekomst anders voor te stellen dan bestaande uit kwantitatieve groei en moed om bbp te laten varen als belangrijkste economisch kompas.

 

Blind groeigeloof

Sinds de Tweede Wereldoorlog werd het nastreven van continue groei in het bruto binnenlands product (bbp) steeds belangrijker in tal van landen. Vandaag is – de pas recent uitgevonden – bbpgroei onvermijdelijk in het publieke debat. Politici en het gros van economen doen hun uiterste best om een economische expansie te realiseren. Aangezien bbp-groei het belangrijkste kompas is waarmee samenlevingen zich trachten te oriënteren, is het niet verwonderlijk dat de media uitgebreid berichten over bbp-prognoses, bbp-realisaties en fluctuaties in bbp-voorspellingen en bbp-resultaten. Bbp-groei wordt verwelkomd om te zorgen voor een stabiele marktwerking, om werkgelegenheid te scheppen en om aan milieubescherming te doen. De heersende opvatting is dat iedereen er wel bij vaart als het binnenlands product toeneemt (a rising tide lifts all boats). Economische expansie zorgt voor jobs, jobs, jobs. Een grotere maatschappelijke koek is gemakkelijker om te verdelen onder de marktparticipanten aangezien er meer te verdelen is. Daarbovenop beschikt de overheid over een groter budget om te herverdelen en te garanderen dat behoeftigen niet uit de boot vallen.

In een context van alomtegenwoordige groeidrang is het weinig verbazingwekkend dat het stimuleren van (inclusieve en duurzame) economische groei één van de zeventien Duurzame Ontwikkelingsdoelen is. De hoofdboodschap van dit blind groeigeloof en het impliciet gebruik van bbp als een benadering voor sociale welvaart laat zich samenvatten in twee uitgangspunten die hierna onder de loep genomen worden: (1) groei is economische groei en (2) meer groei is beter en doet alle economische problemen verdwijnen.

 

Oneconomische groei

Het is belangrijk om na te gaan of groei automatisch als economisch bestempeld kan worden en om te verifiëren of groei niet ten koste gaat van iets anders. Het is ook cruciaal om niet uit het oog te verliezen dat niet alle soorten groei even wenselijk zijn. Het Human Development Report van het United Nations Development Programme (UNDP) ziet economische groei als een middel voor menselijke ontwikkeling en definieert vijf types weinig begerenswaardige groei: (1) jobloze groei (de economie groeit zonder voldoende jobs te scheppen), (2) stemloze groei (een schijnbaar succesvolle economie die niet gepaard gaat met burgerrechten, participatie, en democratie), (3) meedogenloze groei (die gepaard gaat met hoge of stijgende ongelijkheid), (4) uniforme groei (met destructieve effecten op culturele diversiteit) en (5) toekomstloze groei (die de draagkracht van de aarde uitput en de kansen voor toekomstige generaties hypothekeert).[1] Deze vijf voorbeelden illustreren dat zich blindstaren op bbp-groei kan resulteren in neveneffecten met enorme maatschappelijke kosten die niet tot uiting komen in het bbp.

Om een uitspraak te doen over het welvaren van economieën is meer nodig dan een indicator die enkel de marktgebaseerde productie aan goederen en diensten weergeeft aangezien het bbp niet werd ontworpen als een sociale welvaartsmaatstaf. Het bbp is niet bruikbaar als een welvaartsindicator aangezien het bijvoorbeeld geen rekening houdt met (ongelijke) inkomensverdeling, milieuvervuiling, uitputting van natuurlijke hulpbronnen, alles wat buiten de markt gebeurt en vrije tijd. Daarnaast laat het bbp niet toe om een onderscheid te maken tussen gewenste economische activiteit en haar ongewenste gevolgen. Zo registreert het bbp bijvoorbeeld zowel een restaurantbezoek als ook de herstelkosten na een nucleair accident. Het feit dat het bbp ondanks deze tekortkomingen wijdverbreid gebruikt wordt als een benadering voor sociale welvaart is mogelijk de ‘grootste informatiefaling in de wereld’.[2]

Als antwoord op deze bbp-beperkingen ontworpen Daly en Cobb de Index voor Duurzame Economische Welvaart (ISEW).[3] Deze meer inclusieve welvaartsindicator brengt de kosten en baten van de economische activiteit in kaart en biedt een genuanceerder economisch beeld dan het bbp. Zo is het nastreven van kwantitatieve groei ongeacht de sociale kosten niet optimaal of zelfs contraproductief als de maatschappelijke kosten de maatschappelijke baten overschrijden. In dit geval is groei niet economisch maar oneconomisch aangezien groei maatschappelijk gezien meer vernietigt dan opbrengt. Toenemende milieuverontreiniging of een stijgende inkomensongelijkheid zijn voorbeelden die er voor zorgen dat groei niet langer automatisch gebombardeerd kan worden tot de zogezegde economische groei.

 

Een ongefundeerd geloof

Als groei niet noodzakelijk economisch en mogelijk zelfs oneconomisch is, is het geloof in groei nog te rechtvaardigen om bijvoorbeeld armoede te verlichten? Zorgt groei er voor dat de behoeftigen erop vooruitgaan? Een studie van de New Economics Foundation toont aan dat wereldwijde groei uitermate inefficiënt is om armoede te bestrijden. Tijdens 1990-2001 ging er van elke 100 dollar groei in het gemiddelde wereldinkomen per capita slechts 0,60 dollar om armoede (onder de dollargrens per dag) te verlichten. Bijgevolg is er per dollar armoedereductie 166 dollar aan wereldwijde productie en consumptie nodig, wat contraproductief is vermits de armsten de enorme milieukosten van deze groei meer dan proportioneel dragen.[4]

Ook vanuit een meer inclusief welvaartsperspectief is groei niet langer aan te bevelen. Welvaartsstudies tonen voor tal van landen aan dat kwantitatieve bbp-groei zich niet langer vertaalt in een welvaartstoename. Bekeken op globale schaal is het welvaartsniveau niet gestegen sinds 1978. Een markante opmerking is dat in deze periode eveneens de ecologische draagkracht van de aarde werd overschreden en dat ook de levenstevredenheid in veel landen geen significante verbeteringen meer kent sinds 1975.[5]

Hoe komt het dat welvaart stagneert en groei de beloftes niet kan inlossen? Kwantitatieve groei gebeurt nu eenmaal niet in het ijle en is gekoppeld aan en beperkt door het aardse systeem. Toenemende consumptie en productie vergen een continue input van grondstoffen en brengen afvalstromen met zich mee. De maatschappelijke kosten van deze inputs en outputs zijn toegenomen aangezien de ecologische draagkracht van de aarde al enkele decennia overschreden is. Hiernaast is het ook belangrijk om onder ogen te zien dat economische activiteiten niet plaatsvinden in een politiek vacuüm zonder machtsrelaties. Bevoorrechte groepen kunnen zich bijvoorbeeld een meer dan evenredig deel toe-eigenen van het inkomen of het product dat bbp-groei met zich meebrengt waardoor de inkomensongelijkheid stijgt en de maatschappelijke welvaartsbijdrage van deze groei vermindert.

 

Vaarwel bbp-groei

Het obsessief nastreven van bbp-groei, ondanks het feit dat het bbp een slechte welvaartsindicator is en de mogelijkheid dat groei oneconomisch is, doet vermoeden dat groei niet langer een middel maar een doel op zich geworden is. Het onderscheid dat Aristoteles maakte tussen oikonomia (economie) en chrematistikè helpt om het doel van economische activiteit terug te vinden. Oikonomia is huishoudkunde (het besturen van het huishouden) en probeert om de gebruikswaarde voor alle leden van het huishouden te verhogen over de lange termijn, terwijl chrematistikè eerder verband houdt met het manipuleren van eigendom en rijkdom om de ruilwaarde voor de eigenaar te maximaliseren op korte termijn.[6] Dit onderscheid verduidelijkt de noodzaak om economieën te heroriënteren in de richting van het algemene welvaartsbelang en weg te leiden van het nastreven van bbp-groei. Recent beklemtoonden verschillende prominente economen en wetenschappers andermaal de dringendheid om verder te kijken dan het bbp.[7,8]

De richting, weg van bbp, is duidelijk. Alleen heersen er nog andere opvattingen over de positie ten opzichte van bbp. Kate Raworth pleit er bijvoorbeeld voor om agnostisch te zijn over wat er met het bbp gebeurt[9], terwijl academici uit de ontgroei-beweging een minder neutrale positie innemen. Deze laatsten verdedigen degrowth als subversieve strategie om binnen het huidige dominante groeigeloof duidelijk te maken dat het pad richting toekomst niet enkel en alleen uit bbp-groei hoeft te bestaan. Ecologisch econoom Herman Daly ijvert op zijn beurt voor een overgang naar een steady state-economie die inzet op kwalitatieve ontwikkeling, in tegenstelling tot kwantitatieve groei.[10]

Wat zowel Raworth, Daly als ontgroeidenkers met elkaar gemeen hebben, is dat ze economieën een ander elan geven door direct in te zetten op een rechtvaardige inkomensverdeling en een economische schaal die opereert binnen planetaire grenzen, in plaats van deze doelen te proberen bereiken via de ineffectieve bbp-omweg. Volgens Raworth is het doel van de economie om binnen planetaire grenzen een sociaal fundament te voorzien zodat er een veilige maar ook rechtvaardige zone ontstaat voor menselijk welzijn. Degrowth daarentegen wordt gedefinieerd als een democratische en herverdelende inkrimping van productie en consumptie die dient als middel om ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en welzijn te bereiken.[11]

 

Welvaart verdelen zonder groei

Aangezien er vandaag weinig bewijs is dat het inzetten op kwantitatieve groei een welvaartsbijdrage levert en bbp-groei niet automatisch helpt om welvaart te beter (her)verdelen, biedt het loslaten van bbp-groei als doel kansen om welvaart meer inclusief te verdelen. Zoals Raworth stelt is het voorbijgestreefd om er van uit te gaan dat groei zal zorgen voor een minder ongelijke samenleving en dat groei milieuproblemen en -vervuiling helpt oplossen. Raworth kijkt verder dan het herverdelen van inkomens en pleit er resoluut voor om economieën zo te ontwerpen dat het verdelende karakter ingebed zit in economische interacties. Hiernaast ijvert de donut-econome voor een economie met een regeneratief design. Door deze alternatieve economie als circulair te ontwerpen, brengt ze niet langer enorme grondstoffen- en afvalstromen met zich mee.

Het loslaten van bbp-groei als beleidsdoel biedt mogelijkheden om in te zetten op beleidsinstrumenten die binnen een blind groeigeloof onhaalbaar leken. Aangezien grote ongelijkheden sociaal nadelig zijn en meer gelijke samenlevingen het bovendien op tal van economische en sociale indicatoren beter doen[12], is het belangrijk om ongelijkheid te beperken. Hulpmiddelen die hierbij kunnen helpen, zijn een minimum- en een maximuminkomen. Hierbij is het van tel dat het verschil tussen beide niet te hoog, noch te laag is zodat respectievelijk nefaste ongelijkheidseffecten beperkt blijven en economische incentives niet gefnuikt worden.

Het huidige groeimodel gebaseerd op massaconsumptie gaat voorbij aan het feit dat welvaart en welzijn cruciale niet-monetaire en niet-materiële componenten hebben. Een kortere werkweek met meer vrije tijd, deeltijds werk, zorg, vrijwilligerswerk, enzovoort opent deuren om welvaart en welzijn te stimuleren. Een heroriëntering van marktproductie naar maatschappelijke welvaart laat toe om alternatieve vormen van (re)productie zoals vrijwilligerswerk, commons, huishoudelijk werk, coöperaties, gemeenschapsgebaseerd werk en zorg meer naar waarde te schatten. Tim Jackson verklaart dat deze Assepoestereconomie stiefmoederlijk behandeld wordt binnen een groeicontext terwijl ze wel degelijk belangrijke troeven heeft. De Assepoestereconomie is koolstofarm, vermits ze geen enorme doorstroom aan materialen vereist. Hiernaast kent ze een hoge tewerkstelling doordat ze weerstaat aan het streven naar arbeidsproductiviteitswinsten.[13] Inzetten op een productieverhoging per gewerkt uur houdt immers weinig steek in de koolstofarme en arbeidsintensieve ‘sociale en persoonlijke diensten’ sector, precies omdat menselijk contact en menselijke interactie centraal staan. Zo zorgt het rechtstreeks toespitsen op arbeidsintensieve (en koolstofarme) sectoren voor meer tewerkstelling dan de ongerichte poging om jobs, jobs, jobs indirect te bereiken door in te zetten op kwantitatieve groei.

Ook op fiscaal vlak bestaan er mogelijkheden om een sociaalecologische welvaartstransformatie te bespoedigen. In plaats van een taks shift van arbeid naar kapitaal is er een ecologische belastinghervorming nodig. Deze ecologische belastinghervorming houdt een verschuiving in van arbeid en kapitaal naar milieu zodat wenselijke zaken zoals werk en sparen minder belast en ongewenste zaken zoals grondstoffenverbruik en vervuiling meer belast worden. Deze belastinghervorming kan ervoor zorgen dat het herstellen van gebruiksvoorwerpen, het hergebruik van grondstoffen, het vermijden van vervuiling en circulaire ontwerp- en procesinnovaties gestimuleerd worden. Deze bijstelling van de prijsstructuur zorgt voor de eerste incentives om de omslag te maken naar een hernieuwbare samenleving.

Zullen deze prijsaanpassingen voldoende zijn om te verzekeren dat economieën binnen planetaire grenzen blijven? Om ervoor te zorgen dat er niet meer fossiele brandstoffen verbrand worden dan het koolstofbudget dat ons rest? Zijn er plafonds of quota nodig om de instroom of emissies van fossiele brandstoffen te reguleren en sterk te reduceren consistent met de klimaatdoelstellingen van Parijs? Rockström en collega’s kaderen de decarbonisatieuitdaging via een koolstofwet (‘carbon law’): om klimaatopwarming onder 2°C te houden, is het nodig om CO2-emissies elk decennium te halveren tussen 2020 en 2050.[14] Door fossiele brandstoffen te limiteren met een plafond dat bijvoorbeeld a rato van de koolstofwet krimpt, wordt de weg vrijgemaakt voor hernieuwbare energie en wordt de menselijke creativiteit andermaal gestimuleerd om sociale en circulaire innovaties te bedenken.

Het hierboven beschreven economisch systeem, dat rechtstreeks inzet op inclusieve en duurzame welvaart en bovendien ontworpen is om welvaart fair te verdelen, zal een meer welvarende samenleving hebben dan een expansiegerichte economie. Bovendien zal deze economie minder sociale en milieukosten ten gevolge van ongelijkheid en niet-duurzame productiewijzen met zich meebrengen. Zo dienen er minder uitgaven te gebeuren om zichzelf te beschermen tegen de ongewenste neveneffecten van economische activiteiten. Hiernaast zorgen dalende sociale en milieukosten ervoor dat er minder gezondheidsuitgaven nodig zijn om te herstellen van deze schadelijke neveneffecten, wat een verdere stimulans is voor onze sociale zekerheid.

Deze analyse verscheen eerder in het tijdschrift Samenleving & Politiek.

 

Referenties

  1. United Nations Development Programme’ (1996). Human Development Report. New York: Oxford University Press.

  2. Van den Bergh, J. C. J. M. (2009). ‘The GDP paradox’. Journal of Economic Psychology, 30, pp. 117-135.

  3. Daly, H. E., & Cobb, J. B. (1989). ‘For the Common Good: Redirecting Economy toward Community, the Environment, and a Sustainable Future’. Boston: Beacon Press.

  4. Woodward, D. & Simms, A. (2006). ‘Growth isn’t working: The unbalanced distribution of benefits and costs of economic growth’ (New Economics Foundation).

  5. Kubiszewski, I., Costanza, R., Franco, C., Lawn, P., Talberth, J., Jackson, T., & Aylmer, C. (2013). ‘Beyond GDP: Measuring and achieving global genuine progress’. Ecological Economics, 93, pp. 57-68.

  6. Daly, H. E., & Cobb, J. B. (1989). ‘For the Common Good: Redirecting Economy toward Community, the Environment, and a Sustainable Future’. Boston: Beacon Press.

  7. Stiglitz, J., Sen, A., & Fitoussi, J.-P. (2009). ‘Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress’.

  8. Costanza, R., Kubiszewski, I., Giovannini, E., Lovins, H., McGlade, J., Pickett, K., Wilkinson, R. (2014). ‘Time to leave GDP behind’. Nature, 505, pp. 283-285.

  9. Raworth, K. (2017). ‘Doughnut Economics - Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist’. London: Random House Business Books.

  10. Daly, H. E. (2016). ‘Economie voor een volle wereld’. Oikos, 76(1), pp. 25-41.

  11. Demaria, F., Schneider, F., Sekulova, F., & Martinez-Alier, J. (2013). ‘What is Degrowth? From an Activist Slogan to a Social Movement’. Environmental Values, 22, pp. 191-215.

  12. Pickett, K. & Wilkinson, R. (2010). ‘The Spirit Level: Why Greater Equality Makes Societies Stronger’. London: Penguin.

  13. Jackson, T. (2017). ‘Prosperity without Growth – Foundations for the Economy of Tomorro (2nd Edition)’. London: Routlegde.

  14. Rockström, J., Gaffney, O., Rogelj, J., Meinshausen, M., Nakicenovic, N., & Schellnhuber, H. J. (2017). ‘A roadmap for rapid decarbonization - Emissions inevitably approach zero with a "carbon law".’ Science, 355(6331), pp. 1269-1271.

Een kleine geschiedenis van de arbeidsduurvermindering