Een kleine geschiedenis van de arbeidsduurvermindering

Er werden drie etappes afgelegd in de strijd voor arbeidsduurverkorting. De langste en meest ingrijpende (einde 19de eeuw tot ongeveer 1928) zag de reductie van pakweg de zestigurenweek en langer naar de achtenveertigurenweek, die uiteindelijk bereikt werd midden jaren vijftig. In de naoorlogse bloeiperiode, van midden jaren vijftig tot de jaren zeventig, kwamen de vijfdagenweek en de vijfenveertigurenweek en in de jaren zeventig de veertig- en zesendertigurenweek in het vizier. De voorlopig laatste etappe lijkt nu in gang geschoten, maar niet door de arbeidersbeweging, maar door de werkgevers.

 

Werken in de 19de eeuw: 7 dagen in een week, 52 dagen in het jaar, alle jaren van je leven

Tijdens het Ancien Régime of het preindustriële tijdperk kon de dagelijkse arbeidsduur variëren volgens de seizoenen, met een jaargemiddelde van ongeveer tien uur werken per dag. Vroeger werkte men om te leven, voortaan leefde men om te werken: zo zou men zonder vals sentiment de overgang van het Ancien Régime naar de negentiende eeuw kunnen typeren. Het ritme van de seizoenen en het geluid van de klokken werden bruusk doorbroken door het dwingende werkritme van de machine en de fabriekssirene. Het kapitalisme eiste maximale prestaties, iets waaraan de eerste generatie fabrieksarbeiders allerminst gewoon was.

In die eerste decennia regende het klachten over het gebrek aan discipline en inzet en over de talrijke aanleidingen die de arbeiders van het werk hielden. Wat reglementeringen en dwangmaatregelen niet vermochten, deden de lage lonen. De daling van de koopkracht in de eerste decennia van de negentiende eeuw kon slechts worden weggewerkt door langer en harder te werken, door alle gezinsleden in te schakelen of door spaarzaam om te springen met de zuurverdiende centjes. Een van de middelen om de arbeidskrachten tot meer ijver aan te sporen was de verlenging van de arbeidsduur en de vervanging van de betaling per prestatie door het uur‑ en dagloon, met als gevolg dat voortaan meer uren per dag, meer dagen per week, meer weken per jaar en meer jaren in een leven gewerkt werd. Tot 1870 was de twaalfurige werkdag de regel. En pas bij het begin van de twintigste eeuw werd de tienurige werkdag doorbroken.

 

De zondagsrust: de zesdagenweek

Het patronaat was als de dood voor arbeidsduurvermindering: vermindering van prestaties met behoud van het loon, dat vrat aan de winstmarges. Argumenten die later ook zouden opduiken bij elk debat: de verkorting van de arbeidsduur of verlof betekende een aanslag op de vrijheid van ondernemen, bracht de concurrentiepositie in gevaar en deed de productie dalen met werkloosheid tot gevolg. Het debat over de zondagsrust zette de toon. Dat op zondag weinig of niet gewerkt werd, dat was nooit anders geweest. In de loop van de negentiende eeuw kwam die rustdag onder steeds grotere druk te staan, waardoor in de praktijk zeven dagen op zeven gewerkt moest worden. Op zondag werd zonder vergoeding in de fabriek doorgebracht voor schoonmaakactiviteiten, nazicht, en onderhoud van de machines.

In 1905 keurde het parlement de zondagsrust goed. De bijna unanimiteit waarmee dat gebeurde, verheelde dat de wet een ware parlementaire lijdensweg van maar liefst tien jaar achter de rug had, met 24 Kamer- en 5 Senaatszittingen. Iedereen kon zich wel vinden in de zondagsrust, die al stevig ingeburgerd was. Dat was dus niet het probleem. Dat patroons en conservatieven jarenlang dwarslagen, had niet zozeer te maken met het principe van een wekelijkse rustdag op zich, maar wel met de wettelijk opgelegde verplichting. Eenmaal gestemd, stond niets een verdere inperking van de arbeidsduur per dag, per week of – o gruwel – een betaalde vakantie nog in de weg.

Niets doen en toch betaald worden: dat vloekte met de kapitalistische logica. Het was een discussie die zou opduiken telkens de vermindering van de arbeidsduur op de agenda stond. De vrees voor een sociale dijkbreuk was terecht: de BWP beschouwde de invoering van de zondagsrust als een principiële overwinning en een eerste stap naar de verdere arbeidsduurvermindering. De uitzonderingen op de zesdagenwerkweek, die vol achterpoortjes zat, waren echter zo talrijk dat de wet zijn doel voorbijschoot.

 

Arbeidsduur in de mijnen

Haast vanzelfsprekend kwam de beperking van de mijnarbeid het eerst op tafel — al sloeg die enkel op de inzet van vrouwen en kinderen onder de grond. In 1911 werd ondergronds werk voor vrouwen van alle leeftijden en voor kinderen jonger dan 14 jaar verboden. In 1904 stelde een Koninklijk Besluit de arbeidsdag voor vrouwen en adolescenten vast op 11 uur in de vlas-, hennep- en jutenijverheid en op 66 uur per week, met een maximum van 11,5 uur per dag, in de katoennijverheid.

Aan de toekenning van de Limburgse mijnconcessies in 1907 wilden de socialisten, christendemocraten en progressisten sociale voorwaarden koppelen, waaronder de achturige werkdag. Conservatieven vreesden dat de toekenning van de achturendag voor de socialisten het breekijzer zou vormen om een algemene wet ter zake in te voeren. De BWP had immers van de achturige werkdag een aansprekende eis gemaakt waarvan een sterke mobiliserende kracht uitging.

De wet uit 1909 beperkte de werkdag in de mijnen tot negen uur, maar die bezegelde enkel wat op het terrein al bestond. Vanaf het laatste decennium van de negentiende eeuw verschoof de dagelijkse arbeidsduur langzaamaan naar gemiddeld tien uur aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. De werkdag zelf echter bleef lang. Velen waren meer dan twaalf uur weg van huis. In 1896 werkt 10 procent minder dan 9 uur, de helft werkt 10 uur per dag. Een op vier werkt meer dan 11 uur. Het gaat om aanwezigheid op het werk. Dat betekent dus de 60-urenweek.

 

Naar de achturendag en de achtenveertigurenweek

Op 1 mei 1890 vierde de Tweede Internationale de eerste internationale Dag van de Arbeid met grote demonstraties voor de achturige werkdag. De 8-8-8 was een tot de verbeelding sprekend objectief: acht uren werken, acht uren ontspanning en acht uren rusten. Maar bovendien hanteerde de socialistische beweging argumenten die in de jaren twintig steeds meer belang zouden krijgen. De achturendag zou de werkloosheid verminderen, meer mensen aan het werk zetten, de productiviteit doen stijgen en de salarissen verhogen, en zo de koopkracht doen toenemen.

Vanuit de arbeidersbeweging wordt de eis niet om antikapitalistische overwegingen naar voren geschoven, want niet om een groter deel van de winst op te eisen. Acht uren was een fysieke drempel, daarna wordt de arbeider moe en daalt zijn productiviteit en stijgt het werkverzuim. Ziekte en dood onttrekken hem aan het productieproces. De lange werkdag levert vermoeide werknemers op, vroegtijdige onttrekking aan de arbeidsmarkt door “slijtage”.

Die stelling werd door het patronaat betwist. Het patronaat argumenteerde daartegen dat de arbeider met acht uren werken niet de bodem van zijn inspanningen bereikt heeft: hij zal door overuren of bij een andere patroon bijwerken. Bovendien zal de patroon de bijkomende kosten afwentelen op de prijs van de producten, en dat is in het nadeel van de consument. Socialisten verwijten juist de patroons dat ze slecht betaalde arbeiders lang doen werken en daardoor te weinig moderniseren. Die stelling ging uit van een nieuwe ook door de toenmalige linkerzijde aanvaarde invalshoek: die van de werknemers als productiefactor, waarmee efficiënt en spaarzaam moest omgesprongen worden, maar met een vergoeding die overeenkwam met de reële inbreng.

De invoering van de achturige werkdag was na de Eerste Wereldoorlog nog moeilijk tegen te houden. Er was het leed van de oorlog, dat eenzijdig gedragen was door soldaten van gewone afkomst, er was de revolutiedreiging waarop in heel Europa die oorlog uitliep én er was de groeiende macht van de socialistische beweging. Een poging om het patronale argument van de concurrentiepositie te ontkrachten door een internationale invoering van de achturendag mislukte. Het Verdrag van Versailles (1919) nam het principe van een streven naar een werktijd van 8 u per dag en 48 u per werkweek aan. De Conventie van Washington beval wel de achturendag aan, maar liet de beslissing daarover aan de wetgever in alle landen. Elk land staat er alleen voor. Einde 1919 hebben 15 landen de achturendag ingevoerd: België, Engeland en VS zijn daar niet bij.

In 1919 en 1920 breken massale stakingen uit met als hoofdeis: de achturendag. In januari 1920 is de achturendag en de achtenveertigurenweek in de metaalsector een feit. In april 1920 volgt ook de mijnsector. Dat betekent dat iets meer dan de helft van de arbeiders nog voor de invoering van de wet de achturendag verworven heeft.

Opvallend is de houding van het ACV: principieel voor, maar niet het ‘juiste’ moment. Ze kantten zich hevig tegen de stakingsbeweging. Ze zit daarmee op hetzelfde spoor als het patronaat: waar het kan moet het onderhandeld per onderneming of sector. Uiteindelijk zal het ACV het wetsontwerp van minister Wauters steunen als een noodzakelijk kwaad.

Pas in juli 1921 wordt de achturenwet gestemd, maar einde 1921 breken al stakingen uit tegen de sabotage van de wet door sommige patroons. Die voelen zich gesteund door de economische moeilijkheden, maar vooral door de vermindering van de syndicale macht. De meerderheid van de arbeiders had immers al de achturendag via een cao verworven. In sectoren waar dat nog niet het geval was, kreeg men de wet ondanks stakingen niet toegepast. Van sommige rechtbanken was geweten dat ze elke klacht over de niet-naleving automatisch in de prullenmand wierpen. Pas in 1928 was de achturendag definitief verworven.

In de bedrijven wordt de arbeidsduurverkorting opgevangen door rationalisatie van het productieproces: de arbeid wordt intenser, met geen of weinig pauzes, stijgende discipline en stuk- en premiewerk (hoe harder je werkt, hoe meer je verdient). Om de gevolgen van de achturendag en de gestegen loonkost goed te maken, gingen steeds meer werkgevers op zoek naar arbeidsbesparende investeringen, waarbij ze uitkwamen bij de eerste tayloristische ingrepen: de lopende band. De tirannie van de lopende band kon gecompenseerd worden met relatief hoge lonen. Er wordt vrij vroeg verwezen naar het Taylorisme en Henry Ford. Een arbeider zal evenveel produceren in 8 uur als vroeger in 10 uur! Maar dat was zeker niet de regel, want het vergemakkelijkte ook de inzet van ongeschoolde en dus goedkopere arbeiders.

Rationalisering had tot gevolg dat het effect van de arbeidsduurverkorting op de werkgelegenheid niet vanzelfsprekend was. De vakbeweging wist daar aanvankelijk geen blijf mee. De Syndikale Kommissie verwierp in 1921 unaniem het stuk- en premieloon – een soort van geldelijke beloning voor harder werken – waarmee sommige patroons de achturendag probeerde te omzeilen. Stuk- en premieloon werden voor de oorlog al gebruikelijk in de Gentse metaal- en textielindustrie. In de tweede helft van de jaren twintig werd rationalisatie hét toverwoord waar de bonden studiedagen aan wijdden, zonder tot eensluidende conclusies te komen. Meer nog dan het ACV aanvaardde de Syndikale Kommissie de nieuwigheden om pragmatische redenen. De socialistische bonden stelden het Fordisme voor als een weldaad voor de arbeiders. Het moderne syndicalisme was ‘van maximumvoortbrenging in den minimumtijd met het maximumloon’, zo stelde de Syndikale Kommissie. De textielvakbond bijvoorbeeld verzette zich in 1922 niet langer tegen de invoering van automatische weefgetouwen, maar besloot daarvan gebruik te maken om met nog meer aandrang arbeidsduurvermindering en loonsverhoging te eisen. De vakbeweging was dus bereid haar argwaan op te geven als de gestegen productiviteit ook in hogere lonen of kortere werktijden kon worden omgezet.

 

Jaren dertig: de veertigurenweek als alternatief voor de werkloosheid?

Hoewel het tewerkstellinsargument in die discussies niet expliciet gebruikt werd, heeft de invoering van de achturendag wel geleid tot meer aanwervingen om de productie op peil te houden. Wanneer de economische crisis intreedt, zal dit argument van arbeidsherverdeling overheersend worden. Tot dan werd arbeidsduurvermindering geëist om meer vrije tijd te hebben. Begin jaren 30 duikt de eis voor de kortere werkdag op om de werkloosheid te bestrijden: de veertigurenweek zonder loonverlies. Pogingen om via de Internationale Arbeidsorganisatie tot een internationale afspraak te komen mislukken. Ook binnen de vakbeweging ging de bespreking niet zonder slag of stoot. De veertigurenweek werd een gewogen onderdeel in een eisenpakket, wat ook de verlenging van de leerplicht, pensioen op zestig, minimumloon… omvatte. In 1935 nam de IAO een conventie aan m.b.t. de veertigurenweek, maar bepaalde tegelijk dat die niet mocht leiden tot een daling van de levensstandaard.

In 1936 ontstaat een consensus over de veertigurenweek. Toch aarzelde de vakbeweging om de veertigurenweek mee op te nemen in de objectieven van de algemene staking van juni 1936. In volle staking gingen de patroons in op alle vakbondseisen — behalve de arbeidsduurvermindering. Pas na een uitbreiding van de staking gingen de werkgevers overstag: de veertigurenweek zal geleidelijk ingevoerd worden, te beginnen in de gevaarlijke en ongezonde sectoren. Maar ook het betaald verlof: een week per jaar. In praktijk wordt de 45-urenweek ingevoerd als overgang in de mijnsector en de haven. Hier wordt de zevenurendag ingevoerd. In de praktijk werd meer geijverd voor een strikte toepassing van de achturendag en dus de achtenveertigurenweek en werd in de jaren dertig zo goed als geen werktijdverkorting verkregen. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog stond men even ver als in 1930.

 

De 45-urenweek in vijf dagen (1945-1964)

Het Sociaal Pact uit 1944 — toch het handvest van de naoorlogse sociale politiek — sprak nauwelijks over arbeidsduurverkorting. In de nasleep van de oorlogsellende stond de veralgemening van de sociale zekerheid en het herstel van de koopkracht bovenaan het syndicale verlanglijstje. Als gevolg van de snelle en lucratieve hervatting van het economisch leven kon aan die bekommernis tegemoet gekomen worden. Door de snelle bevrijding had het productieapparaat vrijwel intact de oorlogsjaren overleefd en was het haast onmiddellijk inzetbaar. Begin jaren vijftig verloor dit “Belgisch mirakel” echter zijn competitief voordeel. Belgische bedrijven konden steeds minder optornen tegen buitenlandse concurrenten, die met de nieuwste technologieën heropgebouwd werden.

Begin jaren vijftig kregen de vakbonden steeds meer klachten over de stijging van de productiviteit door nieuwe werkmethodes die het arbeidsritme opdreven. In 1954 werd de eerste ‘Gemeenschappelijke Verklaring over de Productiviteit’ ondertekend, waarin de vakbeweging zich bereid verklaarde om mee te werken aan de productiviteitsstijging, op voorwaarde dat de arbeiders mee mochten delen in de vruchten van die inspanningen, o.m. naast loonsverhoging en premies ook werktijdverkorting. Als gevolg van het opdrijven van de productiviteit, was die arbeidsduurvermindering bovendien een compensatie voor de stijgende werkstress.

Beide vakbonden stelden de 45-urenweek en de vijfdagenweek voor als een stap naar de 40-urenweek, maar legden verschillende accenten. Terwijl het ABVV eerder te vinden was voor de 40-urenweek, zag het ACV vooral een vijfdagenweek zitten. Een “vrij” weekend: twee dagen vrij, een meer harmonisch gezinsleven, minder woonwerkkosten, en om de vrienden middenstanders te vriend te houden een extra koopjesdag. Niet zonder een vleugje demagogie en met veel zin voor publiciteit, schoof het ACV de eis voor de vijfdagenweek pas naar voren nadat uit een vooronderzoek was gebleken dat de patroons uit de grote bedrijven daar geen bezwaar tegen hadden. Met een val van de paarse regering Van Acker (1954-1958) als eventuele uitkomst — ook rond de publieke school werd de katholieke opinie gemobiliseerd — organiseerde het ACV in de zomer van 1955 petitieacties en zaterdagstakingen voor de verkorting van de werkweek, maar in de marge daarvan ook voor het minimumuurloon van 20 frank en de Premie voor de Moeder aan de Haard.

Het waren de jaren waarin het zogenaamde kostwinnersmodel hoogtij vierde: de man ging uit werken, de vrouw bleef thuis als huisvrouw en opvoedster van de kinderen. De arbeid van jonge meisjes werd dan ook zwaar financieel ondergewaardeerd tot ze door te huwen aan hun ‘natuurlijke roeping’ voldeden. Om vrouwen daartoe blijvend aan te moedigen, was in 1949 een haardtoelage ingevoerd. In 1955 verlaagde de paarse regering dit bedrag en bij de hervorming van de kinderbijslagregeling in 1957 werd de toelage gewoon afgeschaft. De economische conjunctuur vereiste immers de inzet van al wie kon en wilde werken, en naast gastarbeiders waren dat plots ook weer vrouwen. Voorgoed ditmaal.

Onder druk van deze en andere acties werd uiteindelijk op een Nationale Arbeidsconferentie in juli 1955 een akkoord bereikt over de arbeidsduurverkorting. De 45-urenweek, gespreid over 5 dagen, zou ingevoerd worden als de economische situatie in de verschillende sectoren dat toeliet. Op basis van dat akkoord, dat verder uitgewerkt werd in de paritaire comités, kende in 1960 al 92,4 procent van de arbeiders de 45-urenweek. Dat jaar pas gaven ook de patroons interprofessioneel definitief hun verzet op. Vier jaar later, in 1964, zou de 45-urenweek ook wettelijk een feit zijn. Met een wet die het jaarlijks verlof op twee weken bracht, waarvan één week met dubbel vakantiegeld, zorgde de regering in 1956 voor een verdere arbeidsduurverkorting op jaarbasis. De vijfdagenweek vond moeilijker ingang. Van de dagelijks verhoogde arbeidsduur — van 8 uur per dag naar 9 uur — zijn vooral vrouwen het slachtoffer.

 

De veertigurenweek (de jaren zeventig)

Hoewel het ABVV de veertigurenweek bleef promoten, kreeg bij onderhandelingen de derde vakantieweek, dubbel vakantiegeld en extra verlofdagen, maar vooral de stijging van de koopkracht de voorkeur in de “golden sixties”, boven de wekelijkse werktijdverkorting. Pas het interprofessioneel akkoord van 1973 voorzag in de verdere realisatie van de veertigurenwerkweek, de vierde vakantieweek, extra feestdagen, het gewaarborgd minimum maandloon en een bevestiging van vroegere akkoorden. In 1974 was de veertigurenweek bijna overal een feit. Een veralgemening kwam er met het KB van 22 juli 1975. De spontane stakingsgolf sloeg begin jaren zeventig de eerste bressen in het Fordistisch groeimodel en bracht de arbeidssituatie in de bedrijven terug op het voorplan. Daardoor geruggesteund bracht de vakbeweging de arbeidsduurverkorting als alternatief opnieuw op de interprofessionele onderhandelingstafel.

De crisis van de jaren zeventig en tachtig maakte echter een einde aan de hoogdagen van het sociaal overleg én de consensus daarover. Vanaf 1975 dook de eis op van de 36-urenweek en vervroegd pensioen op 60 jaar als alternatief voor de stijgende werkloosheid en de beginnende economische crisis. Het gemeenschappelijk vakbondsmemorandum van 1977 eist de 36-urenweek tegen 1980. De eis tot arbeidsduurverkorting op weekbasis (36 uren, zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen) was het vakbondsantwoord geweest op de tewerkstellingspolitiek van de centrumrechtse regering Tindemans I (1974-1977) en het interprofessioneel overleg dat daarover was vastgelopen. In 1976 werd het conventioneel brugpensioen wettelijk: elke werknemer van 55 kon daarvan gebruik maken op voorwaarde dat hij door de werkgever vervangen werd door een jonge werkzoekende.

Onder de centrumlinkse regeringen (1977-1981) werd in sommige sectoren de veertigurengrens doorbroken. Omdat de meeste CAO’s met geen woord repten over bijkomende aanwervingen, werd het effect op de tewerkstelling volledig teniet gedaan. Een doorbraak naar de 38-urenweek kwam er na stakingen in de metaalsector (1978) en een stakingsdreiging in de petroleumsector begin 1979. De overheid zelf ging in de zomer van 1978 overstag met de 38-urenweek in de openbare sector. In de bank- en verzekeringssector was een aanvang genomen met de stapsgewijze invoering van de 36-urenweek. In 1979 was voor meer dan één derde van de werknemers de veertigurenweek doorbroken. Toen formateur Vanden Boeynants begin 1979 op een uiterst geslepen wijze de 36-urenweek en bijkomende aanwervingen koppelde aan de loonmatiging en de sanering van de sociale zekerheid, aarzelde het ACV. Het ABVV weigerde echter de loonmatiging te slikken in ruil voor de werktijdverkorting.

 

De neoliberale omslag (de jaren tachtig)

Rond 1980 was duidelijk dat de vakbeweging aan invloed inboette en kwam het patronaat langzaam aan zet met haar alternatieven: arbeidsflexibiliteit door mensen te laten werken hoeveel en wanneer men wil (deeltijdse arbeid, tijdelijke werkloosheid, interimarbeid, 4/5de jobs, aanpassing van de werktijd in functie van behoeften…) en deregulering om van het keurslijf van de sociale wetten af te geraken. Het sociaal protest tegen die neoliberale dreiging groeide. Het ACV organiseerde provinciale acties en de ABVV-betoging van 24 januari 1981 bracht 80.000 mensen op de been in Brussel. Op 13 februari werd nog wel een nieuw akkoord afgesloten waarbij de vakbonden zich bereid verklaarden de harde loonmatiging met een jaar uitstel te aanvaarden in ruil voor de handhaving van de loonindexering en de veralgemening van de 38-urige werkweek.

Met de centrumrechtse regeringen Martens (1981-1987) die de linkse partijen én het ABVV voor jaren in de oppositie duwde sloeg het politieke beleid om in een neoliberale richting. Deze regeringscoalitie (CVP-PVV) bleef doof voor de syndicale vragen naar arbeidsduurvermindering, maar ging wel gretig in op alle patronale alternatieven inzake herschikking of aanpassing van de arbeidstijd: deeltijdse arbeid, flexibilisering, en deregulering van de arbeidsorganisatie. Met de arbeidsexperimenten Hansenne werden afwijkingen toegestaan op de sociale wetgeving, zoals de achturendag en op het wettelijke verbod op werken op zon- en feestdagen, en werd nachtarbeid toegestaan. De dagelijkse arbeidsduur kan verlengd worden tot 12 uur, de wekelijkse tot 50 uur.

Maar wat als een uitzondering begon, werd stilaan de regel. De sociale herstelwet van januari 1985 sprak expliciet van “flexibele uurroosters met een arbeidstijd op jaarbasis”,“een andere arbeidsverdeling”, een nieuwe “werktijdregeling” en een “intensiever gebruik van de machines”. Flexibel werk doet de grens tussen werk en privé-leven vervagen. Daarbovenop kwamen de viervijfde jobs in de openbare diensten, de duobanen, het interimwerk, de BTK'ers, de wetgeving op de T-zones, de contracten van bepaalde duur, de loopbaanonderbreking, de versoepeling van de jongerenstages en van de opzegvergoedingen en de uitbreiding van het begrip ‘passende arbeid’.

Op voorstel van het ACW pakte de regering in november 1982 uit met de aanbeveling aan de sectoriële onderhandelaars van de 5-3-3-formule: 5 procent werktijdverkorting, 3 procent compenserende aanwervingen en 3 procent looninlevering. De beperkte toename van de werkgelegenheid was enkel te danken aan de omzetting van voltijdse naar deeltijdse jobs en dan vooral in de tertiaire en quartaire sector. Het herstelbeleid had de concurrentiepositie en de rentabiliteit van de bedrijven hersteld, zonder arbeidsduurvermindering en compenserende aanwervingen. Het patronaat zag echter haar droom wettelijk in vervulling gaan: flexibiliteit en deregularisering van de sociale wetgeving.

Tegelijk groeide ook in vakbondsmiddens twijfel over het nut van een principiële strijd voor verdere arbeidsduurvermindering als middel tot aanwervingen. De schrik voor het verlies van de job begon groter te worden dan de strijdbare opstelling inzake arbeidsduurverkorting. Werktijdverkorting werd bijvoorbeeld op jaarbasis gevraagd, in de vorm van vakantiedagen in plaats van minder uren per dag of per week zodat het meer ‘voelbare’ vrije tijd opleverde. De vakbonden kregen het daarom steeds moeilijker de eis tot arbeidsduurverkorting tegenover hun achterban — het inleveren moe — te verdedigen. Loonstijging en koopkrachtverbetering waren na de jaren van zware inlevering ook daar populairder. Want ook daar groeide de voorkeur voor bijkomende vakantiedagen of verlof i.p.v. de vermindering van de wekelijkse arbeidsduur, waardoor steeds harder moest gewerkt worden. Het patronaat beantwoordde de syndicale strategie met het opdrijven van het ritme, beperken van pauzes, controles binnen de werktijd, opdrijven van overuren, deeltijdse arbeid, interimarbeid en in de brede zin door deregulering, en flexibiliteit zowel inzake arbeidsvoorwaarden als in lonen. Enquêtes wezen uit dat steeds meer mensen arbeidsflexibele ingrepen genegen waren. Om den brode.

Hoewel de invoering van deze patronale alternatieven gepaard moest gaan met bijkomende aanwervingen, daalde het arbeidsvolume. De werkloosheid bleef stijgen tot een half miljoen uitkeringsgerechtigde volledige werklozen in november 1987. En dat ondanks de statistische wegcijfering van oudere werkzoekenden, schoolverlaters, nepstatuters en bruggepensioneerden. Vakbonden waren dus dringend toe aan een herdenking van de traditionale eis tot arbeidsduurvermindering, met minder nadruk op de wekelijkse verkorting en dus andere vormen van arbeidstijdverkorting, met ruimte ook voor de voorkeur van de werknemer en gespreid over een gehele loopbaan: opvoedingsverlof, deeltijdse uittreding. Vooral het ACV was dergelijke ideeën genegen. Het ABVV bleef lange tijd zweren bij een collectieve arbeidsduurvermindering. Een felle afzwakking van de syndicale standpunten dan weer was de loskoppeling van bijkomende tewerkstelling. In geen enkele sectorale CAO die er kwam als gevolg van het interprofessioneel akkoord 1987-1988 dat de onderhandelingsvrijheid herstelde, was sprake van bijkomende aanwervingen.

Onder de rooms-rode regeringen Martens/Dehaene (1988-1999) koos de vakbeweging voor een inhaalmaneuver op de jarenlange inleveringen: loonsverhoging en stijging van de koopkracht. Na de verkiezingen van 1988 trok het ACV naar de formateur met een tewerkstellingsnota zonder nog te spreken van een wekelijkse arbeidsduurvermindering. Voor het ABVV bleef dat de sleutel tot een actieve tewerkstellingspolitiek. Individuele vormen van arbeidsduurverkorting zoals educatief verlof, loopbaanonderbreking, aanpassing van de pensioenleeftijd konden hooguit dienen als aanvulling.

Ten laatste op 1 januari 2003 werd ingevolge een sociaal akkoord van 2000 in alle bedrijven de 38-urige werkweek ingevoerd, samen met het tijdskrediet trouwens. In de meeste grote bedrijfssectoren waren dan al cao's afgesloten met een werkduur die lager lag dan de wettelijke maximumgrens van 39 uur. Vooral in de jaren negentig was het een zoeken naar een vergelijk tussen de patronale vragen naar flexibiliteit en de syndicale vraag naar arbeidsduurverkorting, al dan niet met loonverlies. Beter dan het individuele tijdskrediet kon dat aan de vraag van de werknemers naar een betere verzoening tussen werk en arbeid beantwoorden. Tussen 1960 en 2013 was de arbeidsduur met een derde verminderd en het aantal arbeidsjaren in een loopbaan gedaald. De gemiddelde leeftijd van intrede steeg ondertussen van 16 naar ruim 21 jaar omdat jongeren langer studeren en ouderen door allerlei vervroegde uittredingen vroeger kunnen stoppen met werken.

 

De afschaffing van de 38-urenweek, terug naar de 45-urenweek?

Einde jaren negentig eisten het ABVV en de bediendenvakbond van het ACV (LBC) de 32-urenweek in een vierdagenregime, zonder loonverlies en compenserende aanwervingen. Het interprofessioneel overleg over de arbeidsduurverkorting viel echter helemaal stil en de centrumrechtse regeringen en de werkgevers willen dat zo houden.  Werkgevers zijn nooit te vinden geweest voor interprofessioneel onderhandelde of wettelijk opgelegde arbeidsduurvermindering. Om de beschikbare arbeid over meer mensen te spreiden is daarentegen de vermindering van de arbeidstijd altijd een syndicaal streefdoel geweest: afschaffing van de kinderarbeid, de achturige werkdag, de 40-urenweek, vijf- en later vierdagenweek, bijkomende betaalde vakantie en vervroegd brugpensioen. Werkgevers hebben zich steeds verzet tegen de omzetting van hoge arbeidsproductiviteit in een lineaire verkorting van de arbeidsduur wegens te kostelijk. Tegenover elke toegeving moest een serieuze inlevering staan. Een loonsverhoging was, indien onafwendbaar, te verkiezen boven een verkorting van de arbeidsduur.

Voor de vakbonden stond de herverdeling van de bestaande arbeid voorop, maar met dit standpunt vingen ze vaak bot bij de achterban, die niet bereid was voor korter werken inkomen in te leveren. Om tegemoet te komen aan een herverdeling van het evenwicht tussen arbeid en gezin, werd de verkorting echter uitgesmeerd over het geheel van de loopbaan, in de vorm van tijdelijke onderbrekingen (tijdskrediet) of bijkomend verlof. Vanaf het midden van het voorbije decennium zetten de werkgeversorganisaties een offensief in dat een loonsvermindering beoogt in de vorm van een arbeidsduurverlenging en de afbraak van het prepensioen. Een eerste krachtmeting kwam er met het Generatiepact (2006), dat een verlenging van de loopbaan op het oog had. Hun pleidooi voor een grondige omploeging van de arbeidsmarkt sloeg pas met de huidige regeringen echt aan. De volgende fase in dat offensief komt er nu aan, of juister, is al bezig.

De wet-Peeters: terug naar de 19de eeuw

Volgens minister Kris Peeters staan we aan het begin van een nieuw tijdperk. De ‘digitale economie’ vergt andere regels dan die van de ‘industriële economie’, een andere inzet van arbeid. In die zin kan je de wet-Peeters of de annualisering van de arbeidstijd zien als oude wijn in nieuwe zakken. In de jaren twintig werd gepoogd daarmee de achturendag te omzeilen. Toen al werd gepleit om het dagelijkse gemiddelde van acht uren te berekenen op jaarbasis met een maximum van 10 uren per dag. Daardoor zouden arbeiders even lang werken als voor de oorlog. Met de arbeidsexperimenten Hansenne in de jaren tachtig werden afwijkingen toegestaan op de sociale wetgeving, zoals op de achturendag en op het wettelijke verbod op werken op zon- en feestdagen, en werd nachtarbeid toegestaan. De dagelijkse arbeidsduur kan verlengd worden tot 12 uur, de wekelijkse tot 50 uur.

Met de afschaffing van de 38-urenwet rondt Peeters een verhaal af dat in de jaren tachtig werd gestart. Toen al vroegen sommige patroons een einde te maken aan de achturenwet en de 40-urenweek. Toen al was vooral het VEV er als de kippen bij om de flexibilisering van de arbeidsmarkt te koppelen aan de technologieën van de ‘Derde Industriële Revolutie’ (denk aan Flanders Technology). Het discours heeft ook een ideologisch-betuttelende dimensie: werknemers zouden net gediend zijn met een flexibele arbeidsmarkt. Het zou werknemers meer autonomie en vrijheid geven om zelf te bepalen wanneer ze werken en hoeveel ze willen werken. In de realiteit zullen het echter vooral de werkgevers zijn die bepalen wie wanneer en hoeveel zal werken. Elk onderdeel van het voorgestelde pakket maakt van wat vroeger achterpoortjes waren (zoals de aanwending van overuren) wijd open tot echte toegangspoorten, tot open deuren.

De kwaliteit van het werk — arbeidsduur, de organisatie van het werk, de verdeling van arbeidstijd — komt door de maatregelen-Peeters in het gedrang. “Werkbaar werk” moet werk “wendbaar” maken, de arbeidsmarkt verder flexibiliseren. Op maat van werkgeverswensen, als het kan met instemming van de vakbonden, zonder als het moet. En daarmee ook een stap terug in de sociale geschiedenis en de syndicale strijd. Met de achturendag als inzet, wilde de arbeidersbeweging vrije tijd bekomen, waarover de bazen niets te zeggen hadden. Met de afschaffing van de 38-urenweek — het sluitstuk van de sociale deregulering en arbeidsflexibilering — gebeurt precies het omgekeerde: de inpalming van die tijd door de bazen en hun belangen. De arbeidsflexibele regelingen doet de grens tussen werk en privé-leven nog verder vervagen. Heel wat regeringsmaatregelen zetten immers het gezinsleven en onze vrije tijd en de zeggingsschap daarover op de helling. Ook dat gaat in tegen de tijdsgeest, het verlangen naar meer autonomie.

Eerder al had de regering de pensioenleeftijd verhoogd, het brugpensioen afgebouwd en onder het mom van ‘werkbaar werk’ de aanval ingezet op de loopbaanonderbrekingen (tijdskrediet, ouderschapsverlof). Niet toevallig gaat dit offensief gepaard met structurele aanvallen op de vakbonden, de verlamming van het interprofessionele overleg en de patronale pleidooien voor de herwaardering van het sectoraal, maar vooral van het bedrijfsniveau als onderhandelingsniveau. Uiteindelijk moet dit uitdraaien op de individualisering van het arbeidscontract. Daartegen werden in de 19de eeuw vakbonden opgericht.

Ook de vakbonden gingen in hun eisenpakket vaak uit van de werknemers als productiefactor, die voor zijn/haar inbreng in de welvaartsproductie vergoed moest worden in de vorm van sociale zekerheid en behoorlijke lonen en arbeidsvoorwaarden, waaronder arbeidsduurverkorting. Ik beveel de lectuur van het hoofdstuk over het Sociaal Pact uit 1944 uit mijn boek aan. De consensus daarover wordt eenzijdig in vraag gesteld, wat eigenlijk neerkomt op contractbreuk.

Alleen al uit respect voor ons eigen verleden, uit waardering voor de strijd die onze ouders en voorouders geleverd hebben om hun kinderen en kleinkinderen een toekomst te geven, moet gewaarschuwd worden voor de flexibilisering die alle opgebouwde sociale rechten onderuit haalt én verdient de 30-urenweek als objectief alle aandacht.

Een terugkeer naar de achterliggende idee van de achturendag: meer adem- en levensruimte buiten de fabriek, waar niet de baas maar jijzelf zeggingsschap over hebt. En daarmee zitten we terug bij waar het eertijds begon: de achturendag. Hoe wereldvreemd kan je zijn door 150 jaren strijd uit het geheugen te weren.

 

Bibliografie:

J. BREPOELS, Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?, Leuven, 2015, passim; P. De VOS, De historische evolutie van de arbeidsduur in België, in: Brood en Rozen,oktober 1997, nr. 3, pp. 7-37; J. MAES en K. VAN RIE, De Werkdag. De geschiedenis van de strijd voor arbeidsduurvermindering, Antwerpen, 1985.

Laat bbp-groei varen als economisch kompas

Waarom ongelijkheid voor élke politieke partij een strijdpunt moet zijn