Privé kleedt openbare diensten uit

Ook in 2018 stonden de openbare diensten onder druk. Op verschillende besluitvormingsniveaus ijverden de krachten van privatisering voor een verdere uitkleding van de overheid en haar maatschappelijke opdrachten. Net zoals de afgelopen jaren nam de privatisering een sluipend karakter aan.

Beetje bij beetje nam de beweegruimte van commerciële ondernemingen verder toe in een politiek klimaat waarin economisch-liberaal georiënteerde partijen (van N-VA tot Open VLD en in sommige opzichten ook Groen) de toon zetten. Beleidsbeslissingen van nationale, regionale en lokale bestuursploegen staan nooit op zichzelf. In de praktijk versterken ze elkaar. Bovendien dreigen ontwikkelingen op het supranationale niveau deze politiek aangestuurde expansie van het marktspeelveld te betonneren in bindende vrijhandelsverdragen. Op het vlak van ordehandhaving, veiligheid en zorg is er een verschuiving gaande die zich met een voltooid Trade in Services Agreement (TiSA) alleen maar zal voortzetten. Met zowel Europese, nationale als regionale verkiezingen belooft 2019 een belangrijk jaar te worden voor de openbare diensten.

De spelregels van de wereldeconomie veranderen

TiSA is het kind van de Coalition of Services Industries (CSI). Deze Amerikaanse lobbygroep opperde al in 2009 voor een omzeiling van de (sputterende) multilaterale onderhandelingen in de schoot van de World Trade Organization over vrijhandel (de zogenaamde Doha-ronde). Niet lang daarna kreeg CSI de steun van haar Europese tegenhanger, de European Services Forum (ESF). In de schoot van de overkoepelende Global Services Coalition (GCS) wordt gewerkt aan een beleidsconsensus tussen de ‘Very Good Friends of Services’. Het is een groep van 50 landen waaronder de EU en de VS die niet langer gelooft in de goede afloop van de Doha-ronde. In september 2013 zitten ze voor het eerst samen om een onderhandelingsprogramma voor TiSA te bepalen.

De GSC is een actieve lobbygroep. Zo krijgen in september 2013 alle bevoegde ministers (waaronder ook toenmalig EU-Commissaris voor Handel Karel De Gucht) een brief waarin wordt opgeroepen om regelgevende belemmeringen voor de handel in diensten weg te werken. TiSA maakt daarmee samen met de meer bekende TTIP, TPP en CETA-akkoorden deel uit van een nieuwe generatie van vrijhandelsverdragen die veel verder gaan dan de eliminatie van handelstarieven.

De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz ziet er een poging in van ondernemingen “om de regels van het spel te veranderen tegen de rest van de samenleving.” Met deze handelsverdragen dreigt de globalisering zich eenzijdig door te zetten in het voordeel van de rijkste landen, de dienstenmultinationals en het mobiele kapitaal.

De 50 ‘vrienden’ nemen vandaag ruim 2/3 van de internationale dienstenhandel voor hun rekening. Zeker 90% daarvan is voor rekening van OESO-landen zoals de VS en de EU. Volgens de Nederlandse experte in handelsverdragen Myriam Vander Stichele wil de EU zich met TiSA dan ook uit de crisis exporteren en grote Europese dienstenmultinationals een duwtje in de rug geven.

TiSa lijkt minder verstrekkend dan TTIP en CETA omdat het ‘maar’ over diensten gaat. Niets is echter minder waar. De scope van TiSA is heel breed en omvat ook zaken zoals onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg en energievoorzieningen. Allemaal zaken die in Europa traditioneel gezien niet als verhandelbare koopwaar worden beschouwd. Het zijn openbare diensten waarmee overheden grondrechten (zoals het recht op onderwijs) en voorzieningen (zoals water) trachten te garanderen voor hun inwoners. Principes zoals universaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid staan daarbij centraal.

Ordehandhaving en veiligheid te koop

In haar vrijhandelsverdragen voorziet de EU een uitzondering voor “diensten aangeboden door de overheid in het kader van haar bestuurlijke autoriteit (governmental authority)”. Het gaat om niet-commerciële overheidsdiensten die geen concurrentie kennen van andere dienstverleners. Volgens de voorstanders van TiSA (of van TTIP en CETA) biedt dit artikel waterdichte garanties. In haar ‘factsheet’ over TiSA maakt de Europese Commissie zich sterk dat politie, justitie en defensie uit de sfeer van marktwerking en internationale concurrentie zullen blijven. De uitbesteding van bewakings- en veiligheidstaken aan private firma’s nam het afgelopen decennia echter een steile vlucht. Journalist Freddy De Pauw spreekt in dit verband van een ‘wereldwijde privatisering van de orde’.

Ook België gaat mee in die trend. Op 7 juni 2017 jaagde de regering Michel immers een hernieuwde wet op de private veiligheid door de Kamer. Dit stokpaardje van de toenmalige Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) vergroot het werkterrein van bewakings- en beveiligingsfirma’s. Een goed voorbeeld daarvan vinden we sinds september 2018 in Antwerpen. De lokale politie besteedde de bewaking van haar hoofdkantoor uit aan Securitas. Op Securitas kan de politie ook beroep doen voor o.a. hondenpatrouilles, dronecamera’s en mobiele bewaking. Dezelfde firma haalde in maart 2018 overigens een opdracht binnen voor de bewaking van de militaire kazerne in Heverlee. Onder impuls van toenmalig minister van Defensie Steven Vandeput (N-VA) zijn er ook voor de kazerne’s Melsbroek, Brussel, Poelkapelle en Rocourt dergelijke overheidsopdrachten uitgeschreven.

Grijze zone: de zorgsector

Als justitie en defensie ten dele een op winst georiënteerd karakter krijgen, vallen zij dan wel of niet onder TiSA? Hierover heerst grote onduidelijkheid. Jammer genoeg blijft het ook niet bij die één grijze zone. Naast orde en veiligheid zijn er nog andere aspecten van de openbare dienstverlening waarover commerciële bedrijven hun greep aan het versterken zijn. In eigen land is dat vooral het geval in de zorg en de sociale dienstverlening. In een politiek klimaat van budgettaire besparingen en onderfinanciering beslissen sommige lokale besturen om sociale diensten en voorzieningen af te stoten. Het gaat dan meestal om de woonzorgcentra, de thuis(zorg)diensten, de poetsdiensten met dienstencheques en de kinderopvang. Nochtans zou dit zich meestal niet vertalen in lagere kosten voor steden en gemeenten. Laat staan in een betere en betaalbaardere dienstverlening voor de gebruikers.

Ook in 2018 heeft de privatiseringsgolf van de lokale OCMW-rusthuizen zich doorgezet. Volgens Jozef Pacolet hebben een handvol investeringsgroepen (vaak met een poot in de vastgoedsector) 235 van de 803 rusthuizen, zowat 26% procent van de sector, in handen gekregen. Het is een stijging van 50% op meer dan zes jaar tijd. Bovendien zijn het steeds vaker internationale spelers die zich laten gelden. In maart 2018 berichtte De Tijd dat het Amerikaanse private equity fonds KKR aast op een overname van Korian, de Franse rusthuisuitbater die ‘marktleider’ is in ons land. De kans op een buitenlandse overname van de Belgische private rusthuisuitbater Armonea (sinds enkele maanden te koop) is eveneens groot. Een ander voorbeeld is de Deens-Britse bewakingsfirma G4S, in ons land actief (geweest) in daklozenopvang én vluchtelingenopvang. Ook Bridgestock en Senior Assist – allebei eveneens actief in de rusthuissector – haalden opdrachten binnen in de vluchtelingenopvang.

Naar een mondiale zorgmarkt

Inzake markttoegang zouden de onderhandelaars van de Europese Commissie een uitzondering (‘exception’) voorzien hebben in TiSA voor publieke gefinancierde zorg en sociale dienstverlening (en eveneens onderwijs). Voor deze sectoren komt er dus zogezegd geen blootstelling aan internationale handel en concurrentie. Gezien het gemengde financierings- en eigendomskarakter van deze dienstverleningen is het echter moeilijk om deze uitzondering ernstig te nemen. Uit een gelekte ‘concept paper’ blijkt bovendien dat TiSA mikt op een mondiale zorgmarkt. Op vraag van commerciële zorgverstrekkers en verzekeraars zouden patiënten bijvoorbeeld beroep mogen doen op ‘offshore’ zorgdiensten in andere landen. Dit zou onder meer gefinancierd worden door de publieke zorgverzekeringsystemen van hun eigen land.

In de praktijk zullen vooral rijkere patiënten met lagere gezondheidsrisico’s aan ‘health tourism’ doen. Middelen van de publieke zorgverzekering zouden zo vloeien naar het buitenland ten koste van het binnenlandse zorgsysteem. Mensen met een lager inkomen en hulpbehoevende categorieën zoals senioren of patiënten met een beperking dreigen daarvan de dupe te zijn. Overigens ook in de ontvangende landen die vaak minder rijk zijn. De commerciële groepen zullen zich hier concentreren (‘cherry-picking’) op de meer lucratieve patiënten uit het buitenland. Ze zullen betere lonen kunnen aanbieden (weliswaar nog steeds lager dan in de ontwikkelde landen) en dus makkelijker het beste personeel aantrekken. De publieke zorginstellingen zullen daardoor minder kwaliteit kunnen aanbieden. Met TiSA zal de zorgwekkende sociale ongelijkheid op vlak van gezondheidszorg alleen maar vergroten.

Re-municipalisation’ in het gedrang?

De afgelopen jaren hebben talloze Europese steden de privatisering van hun zorg en sociale dienstverlening teruggedraaid. Ze hadden genoeg van de torenhoge kosten, de gebrekkige transparantie, de tariefverhogingen voor de gebruikers en de kwalitatieve achteruitgang van de dienstverlening en infrastructuur. Ook in eigen land zijn er sinds de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 lokale besturen die op deze golf willen meesurfen. In het bestuursakkoord tussen sp.a en PVDA in Zelzate staat deze ambitie ook met zoveel woorden genoteerd: “we behouden onze dienstverlening en waar mogelijk dringen we eerdere privatiseringen terug”. Eerder slaagden vakbonden, linkse partijen en burgercomités erin de geplande privatisering van de Zelzaatse kinderopvang tegen te houden. TiSA zou ‘re-municipalisation’ van eender welke sector (bv. sportinfrastructuur zoals zwembaden) echter grondig kunnen bemoeilijken.

In TiSA staan immers ‘standstill’ en ‘ratchet’ clausules. ‘Standstill’ impliceert dat het bestaande niveau van liberalisering (en dus concurrentie in functie van winst) in een land als een soort van onomkeerbaar vertrekpunt wordt beschouwd. Het betekent concreet dat een overheid niet langer binnenlandse actoren mag voortrekken in een sector als buitenlandse commerciële spelers daarin actief zijn. ‘Ratchet’ gaat op dit elan verder. Het wil zeggen dat een overheid alleen maar beslissingen mag nemen in functie van verdere liberalisering en privatisering. Eens een dienstverlening bijvoorbeeld geprivatiseerd is, mag een overheid deze dus niet meer ongedaan maken. Tenzij de overheid van dat land voor die sector een specifieke uitzondering voorzien heeft voorafgaand aan de ondertekening van TiSA.

Wat met Bpost, Proximus, de NMBS, TEC en De Lijn?

Net daarom staat er ook voor onze overheidsbedrijven heel wat op het spel. In het kader van TiSA wordt er immers ook over postdiensten, telecommunicatie en het openbaar vervoer gesproken. Via een hoofdstuk over overheidsbedrijven willen de Verenigde Staten bovendien verhinderen dat nationale overheidsbedrijven op een gunstigere manier zouden behandeld worden dan buitenlandse concurrenten. Een belangrijke annex over binnenlandse regelgeving stelt dat overheidsregels moeten voldoen aan strikte voorwaarden (bv. redelijkheid en onpartijdigheid). Op grond daarvan kunnen regels inzake overheidsbedrijven door commerciële bedrijven aangevochten worden. Via bepaalde achterpoortjes (zoals bv. bilaterale handelsakkoorden) zou dit eventueel ook kunnen via het fel gecontesteerde Investor-State Dispute Settlement.

Deze bepalingen zijn zeer belangrijk voor ons eigen land. De zucht van Open VLD en N-VA naar een privatisering van de overheidsbedrijven is immers sterk. Onder impuls van Minister van Telecom en Post Alexander De Croo (Open VLD) stemde de Kamer in december 2015 in met een wijziging van de wet op de overheidsbedrijven. Daardoor is de federale overheid niet langer verplicht om vast te houden aan een meerderheidsaandeel van 50% + 1 in Bpost en Proximus. In oktober 2018 gaf de Ministerraad groen licht aan een voorontwerp van wet dat de Koning machtigt om tot 31 december 2021 ‘verrichtingen’ te stellen waardoor de overheidsparticipatie daadwerkelijk zou zakken. Het voorontwerp zou ter advies voorliggen bij de Raad van State.

De Croo herhaalde dit jaar ook zijn pleidooi voor de privatisering van de NMBS. Hij werd echter nog teruggefloten door Minister van Mobiliteit François Bellot (MR). De Europese liberalisering van het treinreizigersvervoer staat voor de deur. Vanaf 14 december 2020 hebben spoorwegondernemingen van andere EU-lidstaten in principe toegang tot de Belgische markt. België heeft echter nog geen concrete stappen gezet richting openstelling. Tot eind 2023 kan de volgende federale regering ook beslissen om het binnenlandse reizigersvervoer per spoor toe te kennen aan de NMBS via een onderhandse of openbare aanbesteding. Het streekvervoer krijgt vanaf 2020 eveneens te maken met een Europese liberalisering. Hier pleitten Open VLD en MR wel broederlijk voor een privatisering van respectievelijk De Lijn en TEC.

Belangrijke verkiezingen voor de toekomst van de openbare diensten

De Europese, federale en regionale verkiezingen van mei 2019 zouden wel eens heel bepalend kunnen zijn voor de toekomst van het Europese sociale model. TiSA beperkt de bewegingsvrijheid van nationale staten én lokale besturen om openbare diensten in te zetten als hefbomen voor economische vooruitgang en sociale gelijkheid. De ratchet en standstill clausules vormen een directe bedreiging voor onze (economische) democratie. In eigen land mogen de privatiseringspartijen geen kans krijgen om een onomkeerbare uitverkoop van onze orde- en veiligheidsdiensten, zorg en overheidsbedrijven te orchesteren. Een strijd op verschillende politieke fronten dringt zich dan ook op om de centrale plaats van openbare diensten in onze samenlevingen te handhaven.

Het voorbeeld van Uruguay kan ons daarbij inspireren. Sinds 12 jaar woedt er in de civiele samenleving van het land een rijk en levendig debat over de organisatie van de economie. Zo groeide er een brede consensus over het belang van autonome en sterke overheidsbedrijven voor technologische modernisering en de herverdeling van de voortgebrachte rijkdom.

Onder druk van een brede maatschappelijke coalitie van vakbonden en ngo’s besliste een linkse regering in september 2015 om uit de TiSA-onderhandelingen te stappen. De werknemers van de publieke sector speelden een sleutelrol in de grootschalige mobilisaties en intensieve informatiecampagnes. Ze zijn immers tegelijkertijd dienstverlener én gebruiker van de openbare diensten. Als geen ander slagen ze erin de betrokkenheid van de bredere bevolking bij de strijd te vergroten. Daarin schuilt de weg voorwaarts.

Deze analyse verscheen eerder op Apache.

Collectief onderhandelen: niet goed voor de ongelijkheid