De financiële impact van een gedeeltelijke indexsprong
Wie getroffen wordt door de indexsprong
In België worden de lonen automatisch aangepast aan de levensduurte. Dat betekent dat als de consumptieprijzen met 2% stijgen in een bepaalde periode, de lonen met een gelijkaardig bedrag toenemen om zo een behoud van koopkracht te waarborgen. Op 24 november 2025 kondigde de Arizona-regering aan dat ze een dubbele gedeeltelijke indexsprong wil doorvoeren. De lonen zouden twee keer – in 2026 en in 2028 – niet geïndexeerd worden. Die indexsprong zou ‘gedeeltelijk’ zijn, want hij zou enkel van toepassing zijn op de lonen boven 4000 euro bruto en enkel op het gedeelte dat de 4000 euro overschrijdt. Een loon van 5000 euro bruto zou dus volledig geïndexeerd worden voor de eerste 4000 euro, maar voor de schijf tussen 4000 en 5000 euro zou er geen indexering zijn.
Hieronder een schatting van de impact van een dergelijke indexsprong voor verschillende voltijdse loonniveaus. We gaan uit van een hypothetische inflatie van 2% per jaar. Sommige zaken zijn echter niet duidelijk: de regering heeft het in haar communicatie over ‘loon’ van meer dan 4000 euro, zonder verdere details. We weten niet of het vakantiegeld en de 13de maand (technisch zijn dat lonen) meetellen voor de berekening van het loon van 4000 euro per maand. Nochtans maakt dat een groot verschil uit.
De eerste tabel maakt een schatting van de impact van de gedeeltelijke indexsprongen als we het vakantiegeld en de 13de maand meetellen voor de berekening van de drempel van 4000 euro. De tweede tabel telt het vakantiegeld en de 13de maand niet mee voor de berekening.
In de eerste tabel zien we dat de indexsprong ook impact zal hebben op beroepen met een maandloon van minder dan 4000 euro bruto. Dat komt omdat de drempel van 4000 euro met vakantiegeld en 13de maand in feite neerkomt op een drempel van 3473 euro vóór vakantiegeld en 13de maand.
Uit deze tabellen blijkt dat veel getroffen personen niet als ‘goedverdienend’ beschouwd kunnen worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor leerkrachten, gespecialiseerde arbeiders of werknemers uit de high-techindustrie. Onafhankelijk van de sector kan het ook zijn dat werknemers die overuren presteren getroffen worden door de gedeeltelijke indexsprong, omdat zij een hoger loon krijgen. Hetzelfde geldt voor de nachtarbeiders: als compensatie voor de schade aan hun gezondheid krijgen zij loontoeslagen die kunnen oplopen tot 40% van hun basisloon, waardoor ze vaak boven de drempel van 4000 euro bruto uitkomen.
De dubbele indexsprong zal dus niet enkel de goedverdienende werknemers treffen. Aangezien 4000 euro bruto in de buurt van het mediaanloon ligt, zal ongeveer één op de twee werknemers de impact van de indexsprong voelen.
Een effectieve maatregel?
Zal de maatregel bedrijven in moeilijkheden effectief helpen? Dat is weinig waarschijnlijk. Arbeidsintensieve sectoren – waar de lonen verantwoordelijk zijn voor een belangrijk deel van de kosten – betalen over het algemeen lonen die onder de drempel liggen. De lonen boven de drempel vinden we doorgaans in de high-techindustrie, waar de kost van arbeid niet de voornaamste kostenpost is. In de industrie vertegenwoordigen de lonen immers slechts 8 tot 10% van de kosten. De concurrentiekracht hangt er meer af van innovatie, gebruikte technologieën en het verkochte product. Bovendien worden de hoogste lonen – voor bedrijfsleiders bijvoorbeeld – vaak uitbetaald via een vennootschap en niet via een loon. De echte hoge lonen blijven dus buiten schot.
Wat is dan eigenlijk het doel van de maatregel? Het kan dat de maatregel een politiek doel dient. De regering heeft al veel kritiek te verduren gekregen omdat ze de sterkste schouders, in het bijzonder de grootste vermogens, niet voldoende laat bijdragen. Door een lijn te trekken die werknemers in twee groepen verdeelt, kan de regering het debat tussen arbeid en kapitaal doen verschuiven naar een debat tussen armere en welgestelde werknemers.
Daarnaast slaat een gedeeltelijke indexsprong op middellange termijn een barst in het indexeringsmechanisme. De werknemers uit de high-techindustrie, die soms veel verdienen, zijn syndicaal gezien goed georganiseerd. Mochten zij niet kunnen rekenen op de steun van de andere werknemers in de strijd voor hun indexering, zullen zij op hun beurt dan de werknemers met lagere lonen steunen als de indexering van die laatsten in het gedrang komt door toekomstige projecten van de regering?
In 2024 analyseerde een nota van Denktank Minerva de verschillende mogelijke hervormingen van het indexeringsmechanisme: de conclusie was dat geen enkele bevredigend was. Over het huidige indexeringsmechanisme werd in het verleden trouwens lang nagedacht. Op dit moment blijft dat mechanisme de beste manier om de werknemers te beschermen tegen de stijgende levensduurte; het zou bijgevolg behouden moeten blijven.

