DE LOONNORMWET VAN 1996 IN CONTEXT

DE LOONNORMWET VAN 1996 IN CONTEXT

Matthias Somers

Coördinator en Wetenschappelijk Medewerker bij Denktank Minerva.

🌐 matthias.somers@denktankminerva.be

Inleiding

Op 26 juli zal het precies dertig jaar geleden zijn dat de koning de "Wet ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen" ondertekende.

Die 'loonnormwet' heeft in de tussentijd haast de gestalte van een fetisj aangenomen. Zij symboliseert het beleid van loonkostmatiging dat voor de enen het fundament vormt van elk economisch beleid dat de concurrentiepositie van ons land wil vrijwaren en zo onze welvaart veiligstelt, terwijl diezelfde wet voor anderen een fundamentele inbreuk betekent op het sociaal contract, werkgevers in de strijd om de verdeling van de meerwaarde in een zetel plaatst, en elke reële loonsverhoging onmogelijk maakt.

De loonnormwet maakt slechts één aspect uit van een sociaal-economische beleid dat al sinds de jaren negentig de oorzaak van de Belgische ziekte diagnosticeert als de 'te hoge arbeidskosten', en verschillende sporen bewandelt om die arbeidskosten te drukken en ons zo van onze vermeende ziekte te genezen. In een vervolgdeel zullen we dieper op die verschillende sporen ingaan, waarbij we drie brede categorieën kunnen onderscheiden: (1) het beperken van de uitgaven in de sociale zekerheid; (2) het verlagen van de arbeidskost door verminderingen van de sociale bijdragen of vrijstellingen van belastingen op arbeidsinkomen; en (3) het afremmen van de ontwikkeling van de brutoloonkost zelf. De loonnormwet past in dit derde spoor. In dat vervolgdeel zullen we ook zien waarom een beleid dat inzet op arbeidskostenverlagingen niet het effect heeft dat ervan wordt verwacht, maar wel onze overheidsfinanciën ondermijnt.

In dit eerste deel van onze studie gaan we echter in op de ontstaansgeschiedenis van de loonnormwet zelf. Die wet is immers tot stand gekomen in een specifieke historische en sociaal-economische context die niet meer per se de onze is: wanneer we opnieuw inzicht verwerven in de omstandigheden waarin die wet tot stand kwam, en de redenen waarom de wet de vorm heeft aangenomen die ze vandaag heeft, kunnen we haar ook weer ontdoen van haar fetisj-gehalte, en met een klaardere kijk evalueren wat werkt, en wat niet, in de loonnormwet.

We zullen zien waarom de loonnormwet de vraag naar het concurrentievermogen verengt tot louter een zaak van loonkosten. Deels berust deze verenging op praktische en pragmatische, ja zelfs toevallige redenen: over welke cijfers beschikt men begin jaren negentig, en welke cijfers heeft men niet, of niet tijdig? Andere redenen voor de loonnormwet zijn principieel van aard, en koppelen de discussie over het concurrentievermogen van België op een voor ons misschien onverwachte wijze aan de kwestie van de groei van de arbeidsproductiviteit.

Een belangrijke drijfveer voor de eenzijdige focus op loonkosten in de "Wet ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen" blijkt immers de vrees te zijn dat productiviteitswinsten ten koste gaan van banen: met de loonnormwet wenst men daarom een beleidskader te creëren dat 'arbeidsvernietigende' productiviteitsverbeteringen afremt. Vandaag ziet men productiviteitsgroei daarentegen als de bron van de welvaartstoename die nodig is om de toekomst van het land te verzekeren, en is het precies de slabakkende productiviteitsgroei die zorgen baart — een diagnose die volstrekt in tegenspraak is met degene die aanleiding gaf tot de loonnormwet.

Hoewel economie en samenleving er vandaag heel anders uitzien dan in 1996, en de redenen waarom de loonnormwet in 1996 in die vorm tot stand kwam lang vergeten en vandaag nog moeilijk verdedigbaar zijn, blijft de loonkost zoals zij gebetonneerd werd in de wet van 1996 het begin- en het eindpunt van elk politiek en economisch debat in België, en de logica van arbeidskostenverlagingen het vanzelfsprekende uitgangspunt van elk sociaal-economisch beleid. Door de loonnormwet opnieuw in haar historische en sociaal-economische context te plaatsen, herwinnen we de mogelijkheid om haar in vraag te stellen, zonder te vervallen in een symbolenstrijd.

Een nieuwe wet 'ter vrijwaring van het concurrentievermogen'.

Strompelend van crisis tot crisis

België verkeert in woelig vaarwater. Een ontsporend begrotingstekort en een verpletterende schuldgraad, een amechtige economie, te weinig mensen die aan de slag zijn ... : rien ne va plus. Regering na regering tuigt herstelplannen op en belooft werk, regering na regering waarschuwt: het zal slechter gaan, voor het weer beter wordt. Maar hoe lang nog?

De generatie die na de oliecrisis van 1973-1974 op de arbeidsmarkt kwam, heeft begin jaren negentig nooit anders gekend dan torenhoge werkloosheid, en de neergang van de industrie die eens de trots van België was, lijkt onstuitbaar. Het ontlokt Le Soir de trieste vaststelling:

Aujourd'hui, il ne s'agit plus d'organiser la croissance mais la récession. La sécurité sociale n'est plus à construire mais à sauver de la faillite. Le thème obsessionnel n'est plus la stimulation de l'économie par la consommation de masse mais la lutte contre le chômage.[1]

Het is een strijd die in heel het Europa van de Twaalf woedt, al gaan de lidstaten het gevecht in gespreide slagorde aan.

Wanneer tijdens de muntcrisis van 1992-1993 financiële speculanten in de zomer van 1993 ook de Belgische munt onder vuur nemen (cf. infra), is het de beurt aan de rooms-rode regering-Dehaene I om een herstelplan in elkaar te timmeren dat het vertrouwen van de financiële markten in België moet herstellen tijdens "de ernstigste economische crisis sinds lange tijd."[2]

Het Globaal Plan

Het Globaal Plan dat Dehaene op 17 november van dat jaar voorstelt in de Kamer moet een antwoord bieden op "de reusachtige herverdeling van welvaart en arbeid op wereldvlak," en op het "kernprobleem, dat Europa er niet in slaagt genoeg werkgelegenheid te creëren."[3] En dat antwoord klinkt ons vandaag bekend in de oren: loonmatiging en arbeidskostenverlagingen, om "zo het concurrentievermogen van de bedrijven te versterken."[4]

De signalen op het terrein zijn echter nauwelijks hoopgevend: de tragere aanpassing van de lonen aan de stijgende levensduurte door het afvlakken van de index en de invoering van de gezondheidsindex, de blokkering van de lonen voorzien voor 1995 en 1996, de dertig miljard frank aan bijkomende bijdragenverminderingen voor de werkgevers ..., ze lijken bedrijven amper aan te zetten tot nieuwe aanwervingen.

Werkgeversfederatie VBO heeft daar een eenvoudige verklaring voor: zeker, het crisisplan heeft de arbeidskosten afgeremd, maar in Duitsland en in Nederland is men nog doortastender geweest in het aanpakken van de loonkost: het Belgische concurrentienadeel heeft zich zo nog verdiept.[5] Ook Herman Van Rompuy (CVP), sinds 1993 minister van Begroting en in de regering-Dehaene II ook vice-eerste minister, deelt die analyse: België moet doorzetten met zijn politiek die een rem zet op de lonen en de arbeidskosten verlagen, want ook andere landen voeren een loonmatigingsbeleid.[6]

Opnieuw Le Soir is helder over het mechanisme dat hier aan het werk is:

C'est le piège vers lequel mène la spirale de la compétitivité. Un coup de frein salarial est, sitôt donné, sitôt annihilé, par la pression à la baisse des concurrents.[7]

Dertig jaar later zal een enigszins berouwvolle Mario Draghi, die in de nasleep van de Grote Financiële Crisis als voorzitter van de Europese Centrale Bank mee de landenunie door de schuldencrisis moest slepen, eenzelfde kritiek leveren op het sociaal-economische beleid van Europa in het crisisdecennium na 2009:

We pursued a deliberate strategy of trying to lower wage costs relative to each other — and, combine this with a procyclical fiscal policy, the net effect was only to weaken our own domestic demand and undermine our social model.[8]

Voor werkgevers en regeringspartijen is het nochtans duidelijk: precies omdat die concurrentiewedloop speelt, kan er geen sprake van zijn dat wanneer eind 1996 de bij wet opgelegde loonblokkering afloopt, er weer ruimte is voor vrije loononderhandelingen. Al in februari 1995 komt ook Jean-Luc Dehaene zelf daar in een interview rond voor uit:

De blokkering van de lonen, die tot eind 1996 is opgelegd, kan niet verlengd worden. Als we onze plaats willen behouden in de Ekonomische en Monetaire Unie, moeten we onze lonen echter afstemmen op die van onze buurlanden. Daarom moeten we de wet op het konkurrentievermogen herzien. We moeten preventief te werk gaan.[9]

Wanneer na de vervroegde verkiezingen van mei 1995 de nieuwe rooms-rode regering-Dehaene II —same as the old one— eind juni haar regeerverklaring voorstelt, zal wel niemand zich verbaasd hebben over een passage waarin Dehaene haast letterlijk de woorden herhaalt die hij in het interview met De Financieel-Ekonomische Tijd al uitsprak:

[De regering] zal een wettelijk kader vastleggen dat vanaf 1997 op meer preventieve wijze onze loon- en inkomensontwikkeling structureel afstemt op deze van de andere landen in de Europese Muntunie en in afwachting op deze van de drie omliggende landen, die onze belangrijkste handelspartners zijn.[10]

Een nieuwe wet 'ter vrijwaring van het concurrentievermogen'

In het debat dat volgde op de regeringsverklaring van Dehaene II kreeg deze passage relatief weinig aandacht — als ze al werd aangehaald, dan vooral vanuit de vrees dat hiermee het principe van de automatische indexering op de helling zou komen te staan.

Dat mag verrassen, want de "Wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen"[11] — gemakshalve (en we zullen zien waarom) de loonnormwet genoemd — zal een beslissende ingreep betekenen in de principes van de sociale markteconomie. De loonvorming wordt in belangrijke mate uit de handen van werkgevers en werknemers genomen, en tot een functie gemaakt van factoren die, zoals we zullen zien, worden vastgelegd op basis van pragmatische eerder dan van principiële overwegingen.

De loonnormwet moest het bestaande regelgevende kader uit 1989 vervangen.[12] Dat kader voorzag weliswaar dat de regering bij ernstige 'ontsporingen inzake loon', en na instemming van de Kamer, kon ingrijpen op de loonvorming, maar preventieve maatregelen maakte de bestaande wetgeving niet mogelijk.[13] En dan is het, zoals toenmalig minister van Economie Elio Di Rupo (PS) in 1996 het ontwerp voor de loonnormwet in de Senaat verdedigde, "te laat om de verloren werkgelegenheid opnieuw te scheppen":

Le projet qui vous est soumis suit une logique radicalement différente. Il a pour objet de mettre en place un système préventif de sauvegarde de la compétitivité, axé sur la maîtrise des coûts.[14]

Deze logica van 'kostenbeheersing' werd ook ingegeven door de vurig gewenste toetreding van België tot de Europese Monetaire Unie.

Die zou het immers onmogelijk maken om een eventuele concurrentiehandicap tegenover onze belangrijkste handelspartners weg te werken door een devaluatie van de munt, het redmiddel waar de regering-Martens nog naar greep in februari 1982.[15] De goedkopere Belgische frank maakte de aankoop van goederen ingevoerd uit het buitenland relatief duurder voor Belgische huishoudens — en gekoppeld aan de loonblokkering kreeg hun koopkracht een flinke klap —, maar omgekeerd werd het voor het buitenland goedkoper om goederen aan te kopen in België. De devaluatie van 1982 moest zo Belgische export-gerichte bedrijven ondersteunen, en op die manier hun arbeidsvraag aanzwengelen.

Begin jaren negentig weerklinken opnieuw pleidooien voor een muntontwaarding om de Belgische economie weer op de been te helpen: een manifest van Leuvense economie-professoren doet in augustus 1993 heel wat stof opwaaien, en ook prominente bedrijfsleiders zijn vragende partij.[16] Van zodra de muntunie een feit is, zal een verbetering van de concurrentiepositie echter niet meer via monetair beleid afgedwongen kunnen worden: de prijs van in België geproduceerde goederen en diensten kan dan alleen nog dalen ten opzichte van de prijs van in het buitenland geproduceerde goederen en diensten door in te grijpen in de productiekost zelf.

En dan komt het er in de feiten op neer dat de hoogte van de arbeidskost de focus zal worden van elk economisch beleid,[17] want die arbeidskosten kon men meten, en op die arbeidskosten kon men ook effectief ingrijpen — bijvoorbeeld door deze loonnormwet die nu voorlag in het Parlement —, waar dat voor andere factoren veel moeilijker zou zijn.

Het is dan ook op die gronden dat Di Rupo de nadruk die het wetsontwerp legt op de ontwikkeling van de loonkosten voorstelt als de logica zelve:

Un mécanisme préventif de sauvegarde de la compétitivité doit, par nature, agir sur des éléments dont on a la maîtrise et qui se prêtent de surcroît à une quantification. Ni les déterminants structurels et qualitatifs de la compétitivité, ni même certains éléments de coût, tels les coûts financiers ou ceux de l’énergie, ne répondent à ces deux exigences.[18]

De "Wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen", die door de loonnormwet vervangen zou worden, had de vraag naar het concurrentievermogen nog veel breder bekeken dan louter de loonkost. De wet van 1989 bepaalde immers dat om de Belgische concurrentiepositie in kaart te brengen niet alleen de loonkosten in rekening gebracht moesten worden, maar o.a. ook de evolutie van de uitvoerprestaties van Belgische bedrijven, hun financieringskosten, de energiekosten, de vorming van vast kapitaal, en uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Bovendien, zoals ook in de discussies rond de loonnormwet ter sprake zou komen, speelt ook de kwaliteit van de geproduceerde goederen en diensten een niet onbelangrijke rol in de competitie tussen bedrijven, en moet een correcte vergelijking van de loonkost tussen verschillende landen ook verschillen in arbeidsproductiviteit verrekenen, wil men zicht hebben op het reële concurrentievermogen van bedrijven.[19]

Van concurrentiepositie naar loonkosten: een beslissende blikvernauwing

Al die elementen, op de loonkost na, verdwijnen echter uit de loonnormwet van 1996. De vraag of in België producerende bedrijven kunnen concurreren met bedrijven uit onze belangrijkste handelspartners vernauwt zo tot de vraag hoe de loonkosten in België evolueren ten opzichte van de lonen in de drie omliggende landen — wat natuurlijk een fundamenteel andere zaak is.

factoren waarvan de gegevens ontbreken ...

Opvallend genoeg zijn de redenen die men geeft om het concurrentievermogen van ons land voortaan te beschouwen als louter een kwestie van loonkosten niet in de eerste plaats van principiële als wel van praktische aard, zoals al bleek uit de uitleg van minister van Economie Di Rupo: de weerhouden elementen moeten 'kwantificeerbaar' zijn.

En precies daar stelden zich problemen bij de evaluatieprocedure vastgelegd door het regelgevend kader van 1989. Fons Verplaetse, in de jaren tachtig kabinetschef van toenmalig premier Wilfried Martens en sinds 1989 gouverneur van de Nationale Bank, zal bijvoorbeeld wel erkennen dat andere factoren dan de arbeidskosten van cruciaal belang zijn voor een juist begrip van de concurrentiepositie van een land, maar:

De beschikbare statistieken [van andere gegevens dan de loonkostontwikkeling] zijn te weinig precies om een statistische reeks te maken. (...) Er bleken zich enorme moeilijkheden voor te doen met de kwantitatieve assemblage van de betrokken gegevens.[20]

Als andere elementen dan de loonkosten dus niet hernomen worden in de nieuwe wet 'tot vrijwaring van het concurrentievermogen', is dat niet omdat zij principieel irrelevant blijken te zijn voor de concurrentiepositie van een land, maar wel omdat zij "technisch gezien moeilijk kunnen worden geïntegreerd en vergeleken",[21] en door —opnieuw in de woorden van Verplaetse— "mésaventures statistiques."[22]

De keuze voor de loonkostontwikkeling als unieke maatstaf voor het concurrentievermogen van ons land, waardoor de loonkost ook het brandpunt van het politieke en sociaal-economische beleid van de daaropvolgende decennia zal worden, blijkt zo af te hangen van wat men een toevalligheid kan noemen: de cijfergegevens die men begin jaren negentig al dan niet voorhanden had.

Wat men beslist (niet) te meten, toont zich zo als politiek van doorslaggevend belang, en kan de sociaal-economische organisatie van een land op onvermoede manieren in een beslissende plooi leggen.

... en factoren die ontsnappen aan beleidscontrole

Bijkomend probleem: zelfs al had men betrouwbare gegevens over meer dan alleen de loonkostontwikkeling, dan nog zou ons dat niet veel verder helpen, zo argumenteert men ter verdediging van de vernauwing van het concurrentievermogen tot een kwestie van arbeidskosten alleen. De topman van de werkgeversorganisatie VBO, Tony Vandeputte, zal bijvoorbeeld wel ronduit toegeven dat:

het debat over het concurrentievermogen inderdaad geen debat is over loonkosten alleen. Wel is er het gegeven dat de regering op dit punt kan ingrijpen, terwijl andere elementen bij de prijsvorming minder beheersbaar zijn (bijvoorbeeld de energiekost).[23]

Het zal allicht niet verbazen dat een werkgeversorganisatie huiverachtig staat tegenover 'staatsbemoeienis' in de kostenstructuur van de productie wanneer dat breder zou gaan dan louter de arbeidskost, en daarom "andere elementen bij de prijsvorming" buiten het bereik van politiek ingrijpen plaatst door ze bij voorbaat voor te stellen als "minder beheersbaar."

Instrumenten als prijscontroles op andere factoren dan arbeid zal men afwijzen omwille van hun marktverstorende impact; het begrenzen van de winstmarges, zoals men toch ook de lonen wil begrenzen, schrikt dan weer investeerders af: maar voor wie in dit debat het zekere voor het onzekere wil nemen, is het natuurlijk nog veiliger om zulke maatregelen niet zozeer voor te stellen als marktverstorend (wat immers nog de mogelijkheid openlaat van een kosten-batenanalyse met een onzeker resultaat), als wel om de mogelijkheid ervan af te schilderen als een onmogelijkheid. Het probleem is niet zozeer dat politiek-economisch beleid geen impact mag hebben op andere factoren dan de arbeidskost, maar dat politiek-economisch beleid geen impact kan hebben op die elementen: zij zijn niet 'beheersbaar'. En dan wordt elke discussie over de zin en onzin van andere beleidsopties dan het ingrijpen in de loonvorming meteen zonder voorwerp.[24]

hoe energie van het toneel verdween

Opvallend is dat zowel de minister van Economie als de voorman van het VBO in 1996 expliciet verwijzen naar de energiekost als een belangrijke factor in de productiekost, en dus als een belangrijk element in de bepaling van het concurrentievermogen, waarover het beleid echter —helaas— geen controle heeft.[25] Een senator zal tijdens de debatten dat argument uitspellen voor de slechte verstaander:

De Regering heeft geen enkele vat op de energiekosten: ons verbruik van 55 miljoen ton olieequivalent is te verwaarlozen vergeleken met het verbruik op wereldvlak van 8 miljard ton olieequivalent.[26]

Het is inderdaad vanzelfsprekend dat een Belgische regering in 1996, hoeveel goede wil zij ook zou tonen, "geen enkele vat" heeft op de wereldhandelsprijzen van olie, net zomin als de regering vandaag vat heeft op de gasprijzen op de internationale markten. Maar merk op dat deze argumentatie, die de energiekost als factor in de productiekosten buiten het bereik van beleidsingrijpen plaatst — en daarmee het mogelijke terrein van politieke tussenkomst vernauwt tot louter de loonkosten —, steunt op een beslissende begripsverschuiving.

De energiekost in de productie wordt immers niet alleen bepaald door de prijs van energie, zoals dit argument impliciet vooronderstelt, maar ook door het verbruik van energie; en de mate waarin de prijs van fossiele brandstoffen op de internationale markten de totale energieprijs in een land kan bepalen, is zelf een functie van de mate waarin dat land voor zijn energievoorziening afhankelijk is van fossiele brandstoffen. Het energieverbruik zomin als de energiemix zijn factoren waarop een overheid op korte termijn veel impact heeft, maar regelgeving kan hier op middellange termijn natuurlijk wél voor fundamentele verschuivingen zorgen, en een impact hebben op het aandeel van de energiekosten in de totale productiekost. Een politiek doordacht energiebeleid — of het ontbreken daarvan — heeft zo wel degelijk een beslissende invloed op de concurrentiepositie van een land. Zoals we in een vervolgdeel van deze studie zullen zien, is de Belgische samenleving heel wat energie-intensiever dan in onze buurlanden het geval is. Voor bijna alle industriële sectoren waarin België sterk staat, geldt dat de productie van een gelijke meerwaarde een hoger energieverbruik vergt in België dan in onze buurlanden,[27] wat ons erg gevoelig maakt voor prijsschokken op de internationale markten en de productiekosten in België sterker de hoogte in jaagt wanneer de energieprijzen stijgen: als we onszelf de markt uitprijzen, moeten we dus ook naar de hogere energie-intensiteit van onze industrie kijken, en naar onze blijvende afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen. Dat ook huishoudens en transport vandaag nog steeds verhoudingsgewijs meer energie verbruiken in België dan in onze buurlanden, maakt ons eens zo kwetsbaar voor energieschokken: we importeren niet enkel duurdere olie en duurder gas, we importeren inflatie.

Het gebrek aan beleid en de halfslachtige maatregelen uit het verleden, gesymboliseerd door het mantra van Zuhal Demir (N-VA, op dat moment minister van Energie in de Vlaamse Regering) dat klimaatplannen "haalbaar en betaalbaar" moeten zijn,[28] heeft ons zo niet alleen niet behoed voor de klimaatschokken die onze economie en samenleving ontregelen, maar werkt ook rechtstreeks door in onze sneller stijgende productiekosten, in onze gevoeligheid voor inflatie-opstoten, zo ook in hogere loonkosten — en een zwakkere concurrentiepositie.

Dat de regering in 1996, hierin gesteund door de werkgeversfederaties, de energiekost in de context van de 'vrijwaring van het concurrentievermogen' expliciet buiten het domein van mogelijk politiek ingrijpen plaatst, kan vandaag dan ook niet anders dan als een historische vergissing verschijnen.

Men was er zich nochtans wel degelijk van bewust dat een overheid over de instrumenten beschikt om te sturen op het energieverbruik: sinds de Klimaattop van Rio de Janeiro in juni 1992 was de mogelijke invoering van een CO2-belasting om het verbruik van fossiele brandstoffen terug te dringen vaste prik in het politieke debat. In 1993 schoof een werkgroep onder leiding van NBB-gouverneur Fons Verplaetse, ter voorbereiding van het 'Globaal Plan', een CO2-belasting naar voor als een alternatieve financieringsbron voor de sociale zekerheid[29]; in de beleidsverklaring van de regering bij de start van het politieke jaar in september 1994 had Dehaene die CO2-taks ook al genoemd als nieuwe financieringsbron voor de sociale zekerheid, die een verdere verlaging van de sociale bijdragen moest compenseren[30]; in de verkiezingscampagne van 1995 herhaalde de uittredende en toekomstige premier opnieuw dat hij voorstander was van zo'n belasting op het energieverbruik[31]; en ook het Federaal Planbureau onderzocht dat jaar wat zo'n belasting zou kunnen opbrengen in het kader van een verschuiving van de inkomsten voor de sociale zekerheid.[32]

Het is veelzeggend hoe hierbij de doelstelling van zo'n belasting schijnbaar onvermijdelijk verlegd werd van het terugdringen van het verbruik van fossiele brandstoffen, naar een reductie van de loonlasten. Maar ook als alternatieve financieringsbron voor de sociale zekerheid kwam de CO2-taks er niet: na de verkiezingen evacueerde de aantredende regering-Dehaene II een mogelijke CO2-heffing naar het Europese niveau.[33]

een principiële reden voor de blikvernauwing van concurrentievermogen tot loonkosten: arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid

Cruciale elementen die mee de concurrentiepositie van België bepalen werden dus niet weerhouden in de loonnormwet van 1996, ofwel omdat men zei niet te beschikken over voldoende vergelijkbare gegevens, ofwel omdat men meende dat het beleid op deze factoren, zoals de energiekosten, überhaupt geen invloed kon uitoefenen.

Zijn deze redenen van eerder praktische of pragmatische aard, men haalt in de debatten ook een principieel argument aan voor de blikvernauwing van concurrentievermogen tot loonkosten.

Het concurrentievermogen van bedrijven kan immers op twee verschillende manieren versterkt worden, die beide langs verschillende kanalen leiden tot een lagere productiekostprijs per producteenheid.

Men kan ofwel proberen om het productieproces goedkoper te maken, bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar manieren om de prijs van arbeid te verlagen; ofwel kan men inzetten op het efficiënter maken van het productieproces, om zo de opbrengst ervan te verhogen. Zet men in op dat laatste kanaal, dan zal men streven naar een hogere arbeidsproductiviteit, bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) door kapitaalinvesteringen.

de arbeidsvernietigende kracht van productiviteitsstijgingen

Hoe ver we vandaag afstaan van de zienswijze die leidde tot de loonnormwet van 1996, bewijst wel hoe er toen — en vandaag — over een hogere arbeidsproductiviteit wordt gesproken. Wat nu als een vanzelfsprekendheid klinkt, waarvan men nochtans betreurt dat het onvoldoende aandacht krijgt —

Voor onze toekomstige welvaart is productiviteitsgroei met ruime voorsprong de belangrijkste factor. Op langere termijn is het zelfs het enige wat er echt toe doet. Die productiviteitsgroei moet voor beleidsmakers en sociale partners dus de absolute prioriteit zijn.[34]

— werd in de opmaat naar de loonnormwet nog als een gevaar gezien.

Het is precies omdat men wil vermijden dat de concurrentiepositie van Belgische bedrijven zich versterkt door een hogere arbeidsproductiviteit, dat de vraag naar het concurrentievermogen zich zal verengen tot een kwestie van loonkosten. De bescherming of de versterking van de concurrentiepositie van België mocht niet steunen op een hogere productiviteit, want — zal men argumenteren — die hogere productiviteit is arbeidsvernietigend.[35] En de centrale doelstelling van het economische beleid moet net het scheppen van banen zijn.

De focus van het beleid verschuift zo op beslissende wijze van het concurrentievermogen in brede zin naar louter de loonkosten en hun ontwikkeling.

In een debat in de Kamer is minister van Economie Elio Di Rupo, belast met de verdediging van het ontwerp van de loonnormwet, daarover bijzonder duidelijk:

Le texte qui est soumis s'inscrit pleinement dans l'objectif de développement de l'emploi. (...) Il convient en effet d'éviter que la compétitivité ne soit assurée par une augmentation de la productivité au détriment de l'emploi.[36]

(...) la sauvegarde de la compétitivité est une condition indispensable à la sauvegarde de l'emploi ; afin que l'emploi soit préservé, la compétitivité ne doit pas être maintenue seulement par des gains de productivité.[37]

Het is een boodschap die tijdens het debat hernomen zal worden in verschillende tussenkomsten, niet in de laatste plaats door sprekers uit socialistische hoek, die het wetsontwerp verdedigen precies vanuit de optiek dat de focus op de loonkostontwikkeling een antwoord biedt op het belangrijkste probleem waarmee België kampt, en dit is "ontegensprekelijk het tekort aan arbeidsplaatsen en de hoge werkloosheid," zoals Hans Bonte (SP) stelt:

Of een bepaalde indicator een goed beeld geeft van het concurrentievermogen van een bepaald land, moet worden beoordeeld in een macro-economische contekst. Met andere woorden, wat goede indicatoren zijn, is afhankelijk van wat het belangrijkste economische probleem is waarmee het betrokken land te kampen heeft. In België is dit ontegensprekelijk het tekort aan arbeidsplaatsen en de hoge werkloosheid. Alle gegevens wijzen erop dat onze uitzonderlijke produktiviteitsgroei geïnduceerd werd door de hoge loondruk in België en dit ten nadele van de werkgelegenheidscreatie. (...) Conclusie: deze opwaartse produktiviteitsdruk dient weggenomen door loonmatiging en ontlasting van de factor arbeid.[38]

De hogere Belgische productiviteit, en de productiviteitsstijgingen in België, verschijnen zo niet als een sterkte van de Belgische economie, maar als een probleem: een hogere productiviteit is arbeidsvernietigend, en het is precies het gebrek aan tewerkstelling dat het voornaamste probleem is. Het economisch beleid moet dan ook niet inzetten op een hogere productiviteit, maar op lagere loonkosten.

Niet enkel in socialistische hoek wordt dit veronderstelde verband tussen productiviteitsstijgingen en het verlies van arbeidsplaatsen aangehaald: de analyse wordt breed gedeeld.

In juni 1993 houdt de gouverneur van de Nationale Bank, Fons Verplaetse, een gelijkluidend pleidooi tijdens een lunchcauserie georganiseerd door het NCMV (het huidige Unizo) en de Kredietbank: de bestaande wet van 1989 ter vrijwaring van het concurrentievermogen deugt niet, stelt hij tijdens die lunch, en moet plaats ruimen voor een nieuwe wet. Maar die nieuwe wet zal geen rekening mogen houden met verschillen in productiviteit tussen België en zijn belangrijkste handelspartners, want "dit zou vragen zijn om een hogere werkloosheid."[39] Hij kleeft ook een concreet cijfer op het banenverlies door de substitutie van arbeid door kapitaal: technologische ontwikkelingen kostten België nu al 40.000 jobs per jaar.[40] Men moet die verschuiving minstens afremmen, en dus neemt de nieuwe loonnormwet, zoals Verplaetse het wil, inderdaad niet de loonkost per eenheid product als vergelijkingsbasis voor de evolutie van het concurrentievermogen van bedrijven, maar louter de loonkost per uur.

Ook de werkgeversbank, liberalen en bankeconomen steunen op deze argumentatie om een eenzijdige focus op loonkosten te bepleiten: de hoofdeconoom van de Kredietbank noemt de hogere arbeidsproductiviteit in België een vorm van "arbeidsuitstoot",[41] terwijl Paul De Grauwe, op dat moment professor aan de K.U.Leuven en in de jaren negentig eerst senator en vervolgens kamerlid voor de VLD, 'productiviteitswinst' "géén goed gekozen woord" noemt, want die productiviteitswinst komt in de feiten neer op "de afstoot van tewerkstelling."[42]

Het is Mieke Offeciers, topvrouw bij het Vlaams Ekonomisch Verbond (de voorloper van Voka), die de term "arbeidsvernietiging" in de mond neemt wanneer ze tijdens de hoorzittingen over de loonnormwet spreekt over productiviteitsstijgingen in de economie.[43]

Deze argumentatie, die gedeeld wordt door zulke verscheiden partijen als werkgeversfederaties, de gouverneur van de Nationale Bank en politici van zowel socialistische als liberale huize, steunt op een onbenoemde maar problematische vooronderstelling.

Het argument dat een stijging van de productiviteit onvermijdelijk gepaard gaat met een verlies aan werkgelegenheid, gaat immers alleen dan op, wanneer de totale output van een economie een vooraf gegeven constante is. Onder die vooronderstelling kan een stijging van de arbeidsproductiviteit, dus van de opbrengst per arbeidsuur, inderdaad niet anders dan een daling van het totale aantal arbeidsuren in de economie betekenen. Maar van zodra we de stilzwijgende vooronderstelling laten varen dat een economie niet kan groeien door een hogere productiviteit, valt ook het argument in duigen dat een hogere arbeidsproductiviteit ipso facto de totale tewerkstelling doet dalen.

En deze vooronderstelling is natuurlijk een misvatting: een stijging van de arbeidsproductiviteit vertaalt zich, ceteris paribus, in een lagere productiekostprijs per eenheid product. En die lagere productiekost kan zich dan weer zowel vertalen in hogere winstmarges als in lagere verkoopsprijzen, waarbij die lagere verkoopsprijzen weer de verdere vraag naar goederen en diensten in de economie aanzwengelen. Hogere winstmarges bieden ruimte voor meer investeringen, een hogere vraag voor een groter productievolume — het eindresultaat is een groeiende economie, waarin niet noodzakelijk minder mensen aan het werk zijn. Een hogere arbeidsproductiviteit gaat dus zeker niet zonder meer gepaard met "arbeidsvernietiging" in een economie, zoals de motivatie voor de loonnormwet nochtans aanneemt.

Het argument om de wet op het vrijwaren van het concurrentievermogen te vernauwen tot een 'loonnormwet' die louter de loonkosten in rekening brengt en expliciet arbeidsproductiviteit verwerpt als maatstaf, berust dus op een fundamentele denkfout. Wie vandaag inzet op productiviteitsgroei als "met ruime voorsprong de belangrijkste factor" in onze toekomstige welvaartscreatie, en de redenering verwerpt dat een hogere arbeidsproductiviteit ipso facto de tewerkstelling in een land doet dalen, verwerpt daarmee ook het argumentatieve fundament waarop de loonnormwet steunt zoals die tot op de dag van vandaag bestaat.

Als inderdaad een hogere arbeidsproductiveit de voornaamste bron van welvaartstoename is, en als een hogere arbeidskost bedrijven aanzet tot het zoeken naar productiviteitswinsten — een zaak waarover alle partijen het wel eens waren in de debatten rondom de loonnormwet, en die ook in de economische literatuur weinig controversieel is —, dan vereist het streefdoel van een hogere arbeidsproductiviteit een politiek-economisch beleid dat tégengesteld is aan het beoogde doel van de loonnormwet. Het is precies omdat loonmatiging tot een lagere productiveitsgroei leidde, dat een politiek van loonmatiging werd gevoerd; indien we vandaag de productiviteitsgroei willen aanzwengelen, lijkt het vanuit dat oogpunt dan ook absurd om vast te houden aan die politiek van loonmatiging.[44]

een crisis zonder einde: België 1974-1994

De bekommernis om banenbehoud was nochtans niet onbegrijpelijk.

In de periode 1961-1970 telde België op jaarbasis gemiddeld 71.000 niet-werkende werkzoekenden. Na de jaren van de wederopbouw en de moeizame jaren vijftig, met een terugval in de industriële productie zowel in de periode 1951-1953 als in 1957-1958 en een opstoot in de werkloosheid met pieken tot 247.000 werklozen in 1952 en 122.000 werklozen in 1958, leek het doel van volledige tewerkstelling bereikt. Minder dan vijftigduizend mensen zochten in 1964 naar een baan.[45]

Vanaf het begin van de jaren zeventig neemt het aantal werklozen echter hand over hand toe, van 69.000 in 1971 tot 97.000 in 1974, om vervolgens, met het uitbreken van de oliecrisis en de explosie van de energieprijzen, in een dollemansrit de hoogte in te jagen: alleen al in het jaar 1975 groeit het legertje werkzoekenden met bijna 78.000 eenheden aan. En terwijl de Belgische politieke wereld wel verlamd lijkt door communautair gehannes — tussen 1977 en 1981 ziet België acht regeringen de revue passeren —, blijven de werkloosheidscijfers steeds hoger klimmen. Jean-Luc Dehaene, op dat moment eerst vice-kabinetschef bij de minister van Economische Zaken, later verantwoordelijk voor 'Vlaamse Aangelegenheden', en vanaf 1978 politiek kabinetschef van toenmalig eerste minister Wilfried Martens, zal hierover later verzuchten:

Ons land was verwikkeld in een oeverloos communautair debat waarin geen ruimte was voor een ingrijpend sociaaleconomisch beleid. Wij voerden eigenlijk een non-beleid.[46]

Het is in deze context dat de rooms-blauwe regering Tindemans-II het stelsel van het brugpensioen ontwikkelt: om jongere werklozen meer kansen op een baan te bieden, krijgen oudere arbeiders die ontslagen worden bovenop hun werkloosheidsuitkering een door een bedrijfsfonds betaalde premie om het inkomensverlies ten dele te compenseren; bovendien zullen zij ook niet meer als werkzoekend beschouwd worden.[47] Bedrijven die van het systeem gebruik willen maken, zo wordt afgesproken, zullen wel voor elke ontslagen oudere arbeider een jongere moeten aanwerven. Het brugpensioen, dat van start gaat op 1 januari 1975, blijft initieel beperkt tot mannelijke arbeiders ouder dan 62 jaar, maar nog datzelfde jaar zal de regering de reikwijdte ervan een eerste keer uitbreiden. In volgende bestuursperiodes wordt de verdere versoepeling van het brugpensioen het redmiddel waar men steeds vaker naar zal teruggrijpen in een poging om in crisisperiodes op z'n minst toch jongeren aan een baan te helpen, en meer en meer ook als een manier om herstructureringen van bedrijven —en later ook hele sectoren— in moeilijkheden verteerbaar te maken. In 1985 zal de (ook al rooms-blauwe) regering Martens-V ook oudere werklozen die niet onder het systeem van brugpensioen vallen schrappen als 'werkzoekenden', zonder verlies van uitkering.[48] Zo ontstaat er een steeds grotere kloof tussen enerzijds de officiële werkloosheidscijfers, die slaan op het aantal uitkeringsgerechtigde niet-werkende werzoekenden, en anderzijds de cijfers van de uitkeringsgerechtigde werklozen.[49]

Massawerkloosheid  de transformatie van de maatschappij denktank minerva

Aan de vooravond van de oliecrisis van 1979-1980 telt België al meer dan driehonderdduizend niet-werkende werkzoekenden en nog eens meer dan zestigduizend 'bruggepensioneerden'. En nog betert het niet, integendeel: aan het begin van de jaren tachtig neemt de werkloosheid een nieuwe vlucht. Meer dan een half miljoen Belgen —545.700 om precies te zijn[50]— staan in 1984 geregistreerd als 'niet-werkende werkzoekenden', en daarbovenop telt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening nog eens 127.500 bruggepensioneerden,[51] die wel een werkloosheidsuitkering ontvangen, maar niet meer meegeteld worden in de werkloosheidscijfers.

Hoe dramatisch de situatie is, blijkt wel uit het feit dat halfweg de jaren tachtig bijna één op vijf van alle verzekerden tegen werkloosheid, effectief uitkeringsgerechtigd is.[52]

De samenleving maakt zo op amper tien jaar tijd een fundamentele omwenteling door, van een maatschappij waarin werkloosheid een marginaal fenomeen is, tot een maatschappij waarin meer dan één op zeven 'werkwilligen' geen baan vindt. En al plafonneren de 'officiële' werkloosheidscijfers halfweg de jaren tachtig, een daling tot het niveau voor de tweede oliecrisis, laat staan voor de eerste oliecrisis, blijkt een steeds sterker vervagend droombeeld. In 1990 telt België nog steeds meer niet-werkende werkzoekenden dan in 1980, en bovendien zijn daar nu ook liefst een kwart miljoen 'niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde werklozen' bijgekomen.

Van een land met volledige tewerkstelling is België zo op korte tijd veranderd tot een land met een structureel hoge werkloosheid.

En elke economische schok was goed om de werkloosheidscijfers opnieuw de hoogte in te jagen. Tussen 1990 en 1994 klimt de werkloosheid naar nieuwe hoogten, opnieuw tot meer dan een half miljoen 'niet-werkende werkzoekenden'. Dat jaar telt de RVA zelfs bijna 760.000 uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, op een totale bevolking van 10 miljoen inwoners.

Het mag dan ook niet verwonderen dat de politieke wereld het terugdringen van de werkloosheid als de grote uitdaging van het economisch beleid zag, en dus volop probeerde in te zetten op banencreatie — zelfs al moest men daarvoor, zoals we hebben gezien, een stijgende arbeidsproductiviteit als een probleem bestempelen.

arbeidsintensieve massaproductie als ruggengraat van de Belgische economie: de textiel- en kledingnijverheid in België

Bovendien leefde bij beleidsmakers nog sterk het idee dat de 'arbeidsintensieve massaproductie' de ruggengraat van onze economie vormt.[53] En net die arbeidsintensieve industriële sectoren stonden vanaf het begin van de jaren zeventig sterk onder druk van buitenlandse concurrentie, niet alleen uit de directe buurlanden, maar ook door delokalisatie van de productie naar en een stijgende invoer uit lageloonlanden, een proces dat nog versnelde na de val van de Berlijnse Muur.

De situatie van de kleding- en confectienijverheid en van de textielindustrie, sectoren die mee aan de wieg stonden van de Belgische industriële ontwikkeling, is hier tekenend. In de crisis van de textielnijverheid in de tweede helft van de twintigste eeuw toont zich hoe de stijgende welvaart in een land de neergang inluidt van een industrie gespecialiseerd in arbeidsintensieve massaproductie, en hoe een politiek gericht op loonkostverlagingen voorbijgaat aan die fundamentele moeilijkheid. Het voorbeeld van het verval van de textielindustrie — de oorzaken van dit verval, de vermeende oplossingen, en de gemiste kansen — is een mooie, en trieste, illustratie van de tegenstrijdigheden inherent aan de loonnormwet zoals die in 1996 werd gemotiveerd, hoe men zich verkeek op het loonkostenverhaal, en het belang miste van productiviteitsverbeteringen in de concurrentiestrijd. Die erfenis dragen we nog steeds met ons mee.

van het jaar van de Expo tot de eerste oliecrisis

In het jaar van de Wereldexpo, wanneer België zich in al zijn moderniteit aan de wereld voorstelt, stelt de textielindustrie meer dan 145.000 personen te werk, en de kledingnijverheid nog eens 86.000: meer dan één op tien van alle werknemers in België werkt in één van deze twee sectoren, met de kledingconfectie, de weefnijverheid, de breigoednijverheid, de productie van schoenen en handschoenen, en de katoenspinnerijen als belangrijkste bedrijfstakken.[54]

En het gaat om erg slecht betaalde arbeid. In geen enkele andere bedrijfstak in de industrie en de nijverheid worden zo'n lage lonen betaald als in deze twee — verhoudingsgewijs erg vrouwelijke[55] — sectoren. Gemiddeld ligt in 1958 het bruto-uurloon voor een arbeider, afhankelijk van de bedrijfstak, twintig tot veertig procent onder het gemiddelde van de uurlonen in de industrie en de nijverheid, met de fabricage van breigoed (geen 18 Belgische frank) en de kledingconfectie (19 frank per uur) als negatieve uitschieters.[56] Ter vergelijking: een brood kost dat jaar 7,50 Belgische frank aan de gereglementeerde prijs, een ei 1,60 frank: één uur arbeiden in een fabriek voor breigoed levert een arbeider dus de tegenwaarde van één brood en zes eieren op.[57]

Ondanks die erg lage lonen ligt het aandeel van de loonkosten in de totale productiekost in deze industrietakken, precies omdat ze zo arbeidsintensief zijn, behoorlijk hoog: in de verhoudingsgewijs al sterk gemechaniseerde weefnijverheid is de loonkost nog steeds goed voor twintig procent van de totale productiekost in 1958, in de katoenspinnerij en het breigoed bedraagt de loonkost 25 procent, en in de schoenennijverheid loopt de loonkost zelfs op tot 38 procent van de totale productiekost.[58]

De snelle welvaartstoename van de gouden jaren zestig, met hoge tewerkstellingscijfers en een jaar na jaar sterke economische groei, laat de consumptiemaatschappij ook in België tot volle wasdom komen — een gedaanteverandering van de maatschappij die misschien wel het best geïllustreerd wordt door de vermenigvuldiging van het autobezit (en daaraan gepaard de ontmanteling van het netwerk van buurtspoorwegen), de explosie van de televisieverspreiding, en haast een verdubbeling van het aantal toeristische overnachtingen.[59] In het gemiddelde arbeidersgezin dalen de uitgaven voor voeding van 36% in 1961 naar 24% in 1973-1974.[60]

Maar diezelfde maatschappelijke welvaartstoename zal ook de bodem onder het bedrijfsmodel van de erg arbeidsintensieve massaproductie in de textiel en kleding aanvreten.

In een rijker wordende samenleving, met een levensstandaard die voor het gros van de bevolking gestaag toeneemt, moeten immers ook de lonen in de slechter betaalde sectoren mee stijgen: in het andere geval zal de levensstandaard van die arbeiders steeds verder afdrijven van wat de rest van de bevolking zich kan veroorloven met hun inkomen, en zeker in de textiel- en de kledingsector, zoals we al gezien hebben, lagen de lonen om te beginnen al erg laag. Een loonpeil dat niet min of meer gelijke tred houdt met de algemene inkomensstijging, zou deze arbeiders steeds sterker verarmen. Ook in de textiel- en de kledingnijverheid zullen de lonen doorheen de jaren zestig dus toenemen, al blijven ze in verhouding tot de rest van de industrie laag: in 1971 ligt het gemiddelde loon in de textielsector nog steeds bijna twintig procent onder het gemiddelde loon in de industrie en de nijverheid, en in de kledingsector zelfs een derde lager.

Die loonsverhogingen gaan wel gepaard met een stijging van de productiveit (in volume),[61] die meer dan welgekomen is: want terwijl textielbedrijven in een steeds welvarender land ook steeds hogere lonen moeten betalen, staan de verkoopprijzen van textielgoederen tegelijk onder enorme druk. Tussen 1953 en 1971 stijgt de consumptieprijsindex met 54,5%, meer dan dubbel zo snel als de index van de groothandelsprijzen; in dezelfde periode stijgt de prijsindex van textielgoederen slechts met 0,6%.[62] De hogere productievolumes die mogelijk worden door de voortschrijdende technologische ontwikkelingen in de sector, en de toenemende concurrentie van buitenlandse productiecentra die hun deel van de internationale handel willen veroveren, duwen de prijzen omlaag. Die relatieve prijsdaling van textielgoederen maakt dat het aandeel van de loonkost in de totale productiekost, ondanks de productiviteitsstijgingen, doorheen de jaren zestig hoger blijft klimmen, tot meer dan dertig procent in de katoenspinnerijen, de fabrikage van breigoed, en de kledingnijverheid, en zelfs tot meer dan veertig procent in de productie van schoenen.

De Belgische consument mag zich op de drempel van de jaren zeventig vergenoegen in steeds goedkopere tapijten, beddengoed, kledij, en schoenen, maar de producent ziet zich gesteld voor een fundamenteel probleem: hoe de arbeidsintensieve productie van massagoederen in een rijk land rendabel te houden. Want naarmate de verschillen in welvaartspeil tussen landen toenemen, naarmate dus ook de loonverschillen tussen die landen groter worden, zal het steeds moeilijker worden voor het rijkere land om te concurreren op prijs in de arbeidsintensieve massaproductie van makkelijk internationaal te verhandelen goederen.

het begin van de crisisjaren: de oliecrisis van 1973-1974 en de textielindustrie

De gevolgen van de oliecrisis van 1973-1974 zullen de al aangevreten bodem onder de textielnijverheid in België helemaal doen verkruimelen. De prijzenexplosie drijft ook de lonen steeds hoger, waardoor de arbeidsintensieve productie van massagoederen in België onder steeds grotere druk komt te staan: de arbeidsproductiviteit stijgt wel, maar vanaf de eerste helft van de jaren zeventig krimpen de productievolumes.[63] Niets lijkt de neergang van de textiel- en kledingnijverheid in België te kunnen stuiten.

In 1970 zijn er nog bijna zevenduizend ondernemingen actief in de textiel- en kledingindustrie: in 1980 hebben meer dan drieduizend van deze bedrijven de deuren gesloten.

De combinatie van een stijgende productiviteit, en tegelijk een daling van de geproduceerde volumes, betekent natuurlijk ook dat de tewerkstelling rake klappen krijgt. In 1970 stelt de textielsector nog 126.384 werknemers te werk, en de kledingsector 87.459. In 1980 is dat gedaald naar respectievelijk 66.470 en 49.785 werknemers. Alleen al in 1975, een horrorjaar voor de Belgische economie waarin de totale industriële productie met tien procent terugliep, waren de textiel- en de kledingnijverheid verantwoordelijk voor liefst de helft van alle verloren jobs in België. Het belang van deze twee sectoren in de totale tewerkstelling daalt van tien procent in 1958, over 7,6% in 1970, tot minder dan vier procent in 1980.[64]

hoge loonkosten versus lageloonlanden

De oorzaak van de teloorgang van de textiel- en kledingnijverheid is niet moeilijk te raden voor de betrokken ondernemingen: de hoge loonkosten in België, en de import uit 'lageloonlanden' — een term die in deze jaren voor het eerst opduikt, precies in de context van besprekingen van de moeilijkheden van de Belgische textielsector. In 1974 al trekt de schoenenindustrie aan de alarmbel, omdat de sector "geconfronteerd wordt met een toeneming van importartikelen tegen zeer lage prijzen ... uit lage loonlanden."[65] Terwijl de loonkost per uur van een Belgische stikster in de confectie 145 Belgische frank bedraagt in 1974, werkt haar Tunesische tegenhangster aan een uurloonkost van amper 25 frank:[66] onmogelijk om daar tegenop te concurreren.

Twee jaar later is het de beurt aan de Belgische federatie van katoen- en vezelspinnerijen om alarm te slaan: het marktaandeel veroverd door de import van garen uit "zgn. lageloonlanden", zoals Griekenland, Mexico of Brazilië, is op tien jaar tijd gestegen van 26% tot 72%; de federatie pleit voor invoerquota om de eigen industrie te beschermen.[67]

Op 28 februari 1977 haalt de term 'lageloonlanden' zelfs pagina één van De Standaard, in een alarmerend bericht over de structurele problemen van de Belgische industrie,[68] en van dan af is het aantal vermeldingen niet meer te tellen, bijna altijd wanneer het gaat over de problemen in de textielsector. Eind 1977 maakt De Standaard de analyse dat de neergang van de textielindustrie in Europa te wijten was aan het Europese beleid dat de deur "wagenbreed" had opengezet voor de invoer van goedkoop textiel, op voorspraak van invloedrijke economen als Jan Tinbergen en van (dan voormalig) Europees Commissaris Sicco Mansholt: volgens hen zou er in een geïndustrialiseerde wereld immers geen plaats meer zijn voor arbeidsintensieve industrie in Europa, die zou verdwijnen naar landen "waar de arbeid nog een goedkope grondstof is", en Europa zou er meer bij te winnen hebben die landen te helpen ontwikkelen, dan krampachtig vast te houden aan de eigen industrie. Het is pas in de tweede helft van de jaren zeventig dat de Europese Gemeenschap hierop terugkomt en, in een poging het bloeden van de Europese textielindustrie te stelpen, opnieuw invoerbeperkingen oplegt uit landen als Hong Kong, Taiwan, of Zuid-Korea, waar "zij bespottelijk lage lonen uitbetalen."[69]

Parallel daaraan zal een resem Belgische regeringen doorheen de jaren zeventig en tachtig geld pompen in noodlijdende bedrijven, met tewerkstellingspremies en financiële ondersteuning voor bedrijfsherstructureringen, -fusies, en kapitaalinvesteringen die de sector toekomstbestendig moeten maken.[70] In 1980 stelt de Belgische staat 35 miljard Belgische frank in het vooruitzicht voor de verdere uitrol van het 'textielplan', of iets meer dan één procent van het bbp; toch rekent men nog steeds op het verlies van nog eens 15.000 jobs tegen 1985.[71] De Belgische textielnijverheid teert immers nog steeds sterk op de productie van "relatief laaggeprijsde standaardartikelen, waardoor de industrie kwetsbaar is voor de sterk toegenomen invoer uit lage loonlanden," volgens een consortium aan studiebureaus dat in opdracht van de regering een doorlichting van de sector maakte.[72]

In de periode 1980-1985 verdwijnen zo nog eens 200 textielbedrijven, 400 kledingbedrijven, en net iets meer dan 15.000 jobs. In totaal stelt de sector halfweg de jaren tachtig nog honderdduizend mannen en vrouwen te werk: de crisisjaren hebben de tewerkstelling dus meer dan gehalveerd. In de tweede helft van de jaren tachtig blijft het banenverlies beperkt tot tienduizend jobs, en tegenover het begin van het decennium lijkt het productievolume — behalve in de jute- en vlasnijverheid — min of meer te stabiliseren. De productie van weefsels van synthetische vezels, precies de meest kapitaalintensieve bedrijfslijn, met de hoogste toegevoegde waarde per werknemer, zal zelfs bijna verdubbelen: in 1989 is zij al goed voor tachtig procent van het totale productievolume van de weefnijverheid.[73]

Tewerkstelling in de kleding- en textielindustrie denktank minerva

de textiel- en kledingnijverheid en de crisisjaren 1990-1995

Is de neergang dus gestuit? Het blijkt slechts stilte voor de storm: tussen 1990 en 1995 gaan nog eens bijna 25.000 jobs verloren, waarvan bijna 18.000 in de kledingsector: op amper vijf jaar tijd geeft niet minder dan de helft van alle bedrijven in de kleding- en confectienijverheid er de brui aan.[74]

Begin jaren negentig brengt een speciale commissie in opdracht van de Vlaamse regering de problemen in de sector in kaart, en opnieuw klinkt daar het ondertussen bekende refrein: de textiel- en kledingindustrie is blijven "vasthouden aan traditionele lage-kwaliteitsprodukten die door lage-loonlanden veel goedkoper geproduceerd worden."[75]

De gevolgen laten zich raden: de aanhoudende crisis in de sector zorgt voor het begrijpelijke doch wat bizarre fenomeen dat spelers in de textiel- en kledingsector enerzijds wel aangeven dat op loonkost niet te concurreren valt, terwijl anderzijds zowel zij als de regering weinig andere opties lijken te zien dan loonkostverlagingen om de sector boven water te houden.

Al lopen de cijfers wat uiteen, ze wijzen steeds in dezelfde richting. Nog steeds is het zo dat arbeiders in de textiel- en kledingsector naar Belgische normen erg weinig verdienen.[76] Toch geeft de Kledingfederatie aan dat de loonkost in Noord-Afrika, Oost-Europa of Portugal nog geen vijfde bedraagt van wat bedrijven in België moeten betalen[77]; het Planbureau stelt dat voor het loon van een confectiearbeidster in België 92 arbeidsters in Viëtnam betaald kunnen worden[78]; en De Tijd citeert een (anonieme) Vlaamse ondernemer:

Een vrouweblazer maken — ongeveer een uur werk — kost mij nu 480 frank aan loon. Dat zelfde uur kost mij in Polen 40 frank. Nu mag de Poolse produktiviteit nog lager liggen zodat het langer duurt om tot dezelfde kwaliteit te komen, so what? Zelfs als ze er drié uur voor nodig hebben is het verschil nog immens, en dan mag je het transport er nog bijtellen. Als de konsument de keus heeft tussen een blazer van 500 of een van 180 frank, welke gaat hij dan nemen, denkt u? Dat is de situatie.[79]

Om een antwoord te bieden op dit loonkostenprobleem en in een poging zuurstof te geven aan de arbeidsintensieve industrie, zet de regering-Dehaene I begin 1993 de zogenaamde Maribel-bis op touw: een selectieve, bijkomende loonkostverlaging gericht op arbeiders in export-gerichte sectoren, zoals de kleding- en de textielnijverheid. Onze Vlaamse ondernemer toont zich weinig verheugd:

Ze zeggen: "Maar Maribel-bis dan? Beste vriend, arbeidsintensief bedrijf, bovendien exportgericht, je krijgt toch 25.000 frank per jaar subsidie?" Dan antwoord ik: wel, dat is grosso modo drie procent toelage, maar wat stelt dat voor als onze konkurrenten maar tien procent van onze loonlast hebben? Het bewijst dat u de sektor niet kent, dat u niet kunt rekenen.[80]

De enige oplossing die hij ziet: invoerrechten en quota om de Belgische textiel- en kledingproductie te beschermen tegen concurrentie van lageloonlanden. Halfweg de jaren negentig klinkt dus nog steeds precies dezelfde diagnose, met precies dezelfde vermeende oplossingen, als eind jaren zeventig ...

Invoerrechten en quota zijn echter onverkoopbaar in een Europa dat de voormalige Oostbloklanden na de val van de Muur wenst te integreren,[81] en andere sectoren in een open economie als de Belgische hebben net baat bij vrijhandel, en dreigen getroffen te worden door een wederzijds opbod aan handelsbeperkingen — net zoals de Belgische consument, trouwens, die maar wat graag het veel goedkopere paar schoenen 'made in Vietnam' of de gordijnen of vrouwenblazer 'made in Poland' koopt.

En dus grijpt het beleid terug naar loonkostverlagingen om de arbeidsintensieve massaproductie in België op de been te houden: want men kon toch niet met lede ogen toezien hoe de arbeidsintensieve massaproductie teloorgaat, die nog steeds beschouwd wordt als de ruggengraat van de Belgische economie.

Aan het fundamentele probleem van die sectoren verandert dit echter ten gronde niet veel. Halfweg de jaren negentig is de vraag nog steeds dezelfde als eind jaren zestig, of vandaag: hoe kan men een arbeidsintensieve industrie, gericht op massaproductie, rendabel houden in een steeds rijker wordend land?

Hogere lonen die een hogere levensstandaard mogelijk maken zijn immers zowel het gevolg als de oorzaak van een toenemend welvaartspeil, en terwijl lonen die een 'aanvaardbare' levensstandaard mogelijk maken in een land bepaald worden door het globale welvaartspeil van dat land, wordt de prijs die fabrikanten kunnen vragen voor hun makkelijk te verhandelen goed bepaald op een internationale markt. Hoe groter de welvaartsverschillen tussen de landen die produceren voor de internationale markt, en dus hoe groter de loonverschillen, hoe moeilijker het zal zijn voor rijke landen om de strijd aan te gaan op basis van de loonkost.

Onder enorme druk van buitenlandse concurrentie bezweek de textiel- en kledingindustrie in België in de schijnbaar eeuwigdurende crisisjaren: de productie van 'laagwaardige' textielgoederen als gordijnen, lakens, kleding en schoenen viel niet vol te houden in een land met hoge lonen.

Het is ook geen toeval dat precies de relatief kapitaalintensieve weefnijverheid, die haar focus had verschoven richting de verwerking van synthetische vezels en per werknemer een veel hogere toegevoegde waarde genereerde dan de overige takken in de textiel- en kledingsector, de crisisjaren het best weerstond, alhoewel ook de loonkost per werknemer er veel hoger lag.[82] Minder dan de textielsector in zijn geheel stond zij bloot aan verdringing door de import van goederen uit lageloonlanden, net dankzij haar hogere productiviteit.

En het is dan ook — ironisch genoeg, in het licht van de bekommernissen om het behoud van een arbeidsintensieve massaproductie die productiviteitsverhogingen weerstreefde als 'arbeidsvernietiging' — die meest kapitaalintensieve van de textielsectoren die het langst haar werkgelegenheid wist te behouden.

Loonkost per uur of loonkost per producteenheid? de strijd om de 'historische loonkosthandicap'

De nood aan een loonnormwet die een rem zou zetten op de loonontwikkeling in België, en dus op de verdere 'verslechtering van onze concurrentiepositie', was echter niet alleen ingegeven door de enorme loonverschillen tussen een rijk land als België en de lageloonlanden waarmee onze arbeidsintensieve industrie moest — maar niet kon — concurreren. Ook binnen de kernlanden van Europa, ook in vergelijking met onze voornaamste handelspartners, zou de Belgische industrie in de eerste helft van de jaren negentig kampen met een 'loonkostenhandicap': een uur arbeid kost een onderneming meer in België dan in Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, of Italië.

Dat probleem werd nog acuter doordat de Nationale Bank van België een 'harde munt'-politiek voerde, die de waarde van de Belgische frank strak vastklikte aan de ijzersterke Duitse Mark.[83] Op die manier wilde de gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse de inflatie permanent bedwingen en de rente naar beneden halen, maar het gevolg van de dure munt was ook dat in België geproduceerde goederen uit de markt geprijsd dreigden te worden.

De crisis in het Europese muntensysteem in 1992-1993 zette de concurrentiepositie van Belgische bedrijven nog verder onder druk: muntspeculanten duwden in september 1992 de Britse pond en de Italiaanse lire uit het 'European Exchange Rate Mechanism', dat hun munten koppelde aan de ecu, en in november 1992 werden ook de Spaanse peseta, de Portugese escudo, en de Zweedse krona gedwongen hun koppeling aan de ecu te verlaten en hun munten fors te devalueren. Begin 1993 werden de Spaanse en Portugese munt opnieuw afgewaardeerd, en in de zomer van 1993 stond zelfs de Franse franc onder enorme druk.[84]

De sterke depreciatie van de Britse, Spaanse, Italiaanse, en Franse munt in deze periode had ook repercussies voor België: terwijl de economie al in zwaar weer verkeerde, maakte het Belgische goederen navenant duurder op de internationale markten — reden waarom vocale bedrijfsleiders en de 'Leuvense' economen, zoals we zagen, zullen pleiten voor het loslaten van die strakke koppeling. De Nationale Bank van Fons Verplaetse bleef echter zijn sterke munt verdedigen, ook toen ons land in de zomer van 1993 zelf in de vuurlijn kwam te liggen van speculanten: de directe aanleiding voor het 'Globaal Plan', dat door indexaanpassingen en loonblokkeringen het vertrouwen van de financiële markten moest herstellen.[85]

Door het veto tegen een monetaire politiek om de concurrentiepositie van België te verbeteren, scheen het beleidsmakers in de aanloop naar de discussies rond een nieuwe "wet op de vrijwaring van het concurrentievermogen" toe dat alleen de loonkosten marge boden om de concurrentiepositie van België te verbeteren.

Over een eerste punt leek er brede politieke overeenstemming te bestaan: de loonkostontwikkeling in België moest in de toekomst gelijke tred houden met de ontwikkeling van de lonen in onze drie voornaamste handelspartners — Duitsland, Frankrijk en Nederland. De facto werd de Belgische loonpolitiek dus uitbesteed aan onze buurlanden: het zullen immers beleidsbeslissingen en onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers in die landen zijn, en verschillen in het inflatiepeil, die determineren of en in hoeverre de Belgische lonen kunnen stijgen. Voor de sociale partners in eigen land rest niet veel meer dan morrelen in de marge: de loonvorming, en dus de verdeling van de door hen gegenereerde toegevoegde waarde, wordt grotendeels uit hun handen genomen.

We zagen ook al waarom de loonnormwet de potentiële marge voor loonsverhogingen laat afhangen van ontwikkelingen in de loonkost per uur, en niet de loonkost per eenheid product. In het laatste geval moeten ook verschillen in productiviteit mee in rekening gebracht worden: wat per slot van rekening telt voor een onderneming is immers niet alleen hoeveel een uur arbeid kost, maar ook hoeveel dat uur arbeid de onderneming oplevert. Een hoge uurloonkost kan in principe perfect verdedigbaar zijn wanneer daar een hoge opbrengst tegenover staat.

Door de structureel hoge werkloosheid waarmee België kampt halfweg de jaren negentig stonden beleidsmakers echter uiterst huiverachtig tegenover het aanmoedigen van productiviteitswinsten, die men (zoals we zagen) als "arbeidsvernietigend" beschouwde. Het streefdoel was precies arbeidsintensieve competiviteitsverbeteringen, die expliciet werden afgezet tegen 'kwalijke' productiviteitswinsten, en dan was niet de ontwikkeling van de loonkost per eenheid product de juiste maatstaf, maar kon enkel de loonkost per uur dienen als ankerpunt van het beleid.

Over een derde punt bestond heel wat minder eensgezindheid. De loonnormwet zette de teller op nul: men zou nagaan hoe de loonkost zich ontwikkelde in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland vanaf 1996. En dat lag moeilijk voor de werkgevers. Zij redeneerden immers dat België al in 1996 een loonkostennadeel had tegenover de belangrijkste handelspartners, en dat eerst dat loonkostenverschil moest weggewerkt worden: pas nadien kon men van nul vertrekken — het is die zogenaamde 'historische loonkostenhandicap' waar de werkgeversfederaties nu dertig jaar later nog steeds aan refereren om de positieve ontwikkeling van de loonkosten tussen België en de referentielanden in twijfel te trekken.

Hun argumentatie werd immers niet gevolgd, want het loonkostennadeel bleek weg te vallen wanneer men ook rekening hield met verschillen in productiviteit, zoals Fons Verplaetse zal verklaren tijdens de hoorzittingen bij de bespreking van de ontwerpwet:

Wanneer men een berekening maakt op basis van het loon per voltijdse werknemer komt men tot een globale loonhandicap van 7 à 8 % ten opzichte van onze voornaamste handelspartners. Wanneer men echter berekent per eenheid produkt bedraagt de handicap slechts 0 of zelfs - 1, dus scoort ons land even goed of zelfs lichtjes beter dan de 3 handelspartners. (...) Verder herhaalt spreker dat ons land eigenlijk geen handicap kent indien de produktiviteit wordt meegerekend.[86]

Wanneer men de kost van een uur arbeid afzet tegen de opbrengst, hadden Belgische ondernemingen in 1996 — het jaar nul van de loonnormwet — dus níet te kampen met een loonkostenhandicap: ze hadden, dankzij de hogere Belgische productiviteit, zelfs een licht competitiviteitsvoordeel. En dus kon men de teller op nul zetten, en 1996 hanteren als referentiejaar.

Maar waarom hier het vermeende competitiviteitsverschil meten aan de hand van de loonkost per eenheid product, en niet in termen van de loonkost per uur? Schuilt daarin dan geen tegenspraak met de redenering die men hanteerde om voor het nagaan van de loonkostenontwikkeling expliciet de verschillen in productiviteit af te wijzen als relevant?

Neen, want: de herstructureringen en de investeringen die hadden geleid tot 'arbeidsvernietiging' en 'arbeidsuitstoot', zoals die hogere productiviteit per gewerkt uur werd genoemd, en die maakten dat in 1996 de loonkostenhandicap (gemeten per gewerkt uur) gekeerd werd naar een loonkostenvoordeel (rekening houdend met de hogere productiviteit), die herstructurering en investeringen hadden bedrijven op dat moment al doorgevoerd, en ondernemingen zouden die natuurlijk ook niet meer terugdraaien:

S’il y avait eu précédemment substitution de capital au travail, l’investissement est déjà réalisé et disponible. L’entreprise continuera à utiliser cet investissement de rationalisation, même si le coût du travail baisse. La baisse du coût du travail tendra donc à se transformer en bénéfices, et non en emplois.[87]

Of zoals vice-eerste minister en minister van Economie Elio Di Rupo (PS) het nogal lapidair zal formuleren in de Kamer:

L'emploi perdu ne peut pas être recréé rétroactivement.[88]

Men kon de herstructureringen en investeringen uit het verleden die tot banenverlies hadden geleid weliswaar betreuren, maar wat gebeurd was, was gebeurd, en geen weldenkend bedrijf zou de arbeidsbesparende maatregelen die zij reeds genomen had weer omkeren; een bijkomende loonkostverlaging zou enkel dienen om de winstmarges op te krikken. Gegeven de doelstelling van de loonnormwet was het dan ook niet meer dan logisch om 1996 als nuljaar te hanteren.

Conclusie

De debatten in Kamer en Senaat zullen in de loop van juli 1996 nog enkele rondjes draaien, maar de posities zijn ingenomen, en aan de uitkomst valt nooit te twijfelen: op 26 juli 1996 ondertekent de Koning de "Wet ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen."

De loonnormwet verengt het concurrentievermogen tot louter een zaak van loonkosten: we hebben gezien dat daar zowel praktische en pragmatische, ja zelfs toevallige redenen voor waren, alsook principiële maar hoogst problematische redenen, ingegeven door de specifieke context van de Belgische economische situatie aan het begin van de jaren negentig.

Welke cijfers men (niet) verzamelt, blijkt van doorslaggevend belang voor fundamentele beleidskeuzes die het sociaal-economische beleid de komende decennia zullen bepalen; de impact van energiekosten op het concurrentievermogen wordt bovendien volstrekt genegeerd. De breedgedeelde angst dat een stijging van de arbeidsproductiviteit ten koste gaat van de werkgelegenheid, en dus te allen prijze minstens afgeremd moet worden, zal beslissend zijn voor de vorm die de loonnormwet aanneemt, en verklaart de eenzijdige focus die de loonnormwet legt op de loonkostontwikkeling. Dat we dertig jaar later blijven vasthouden aan die politiek van loonmatiging als sluitsteun van het sociaal-economische beleid, terwijl de doelstelling die men vandaag zegt na te streven om onze welvaart te verzekeren het volstrekte tegendeel is van de motivatie voor de loonnormwet, is op z'n minst merkwaardig te noemen.

Die blikvernauwing zal echter beslissend blijken voor het politiek-economische beleid in de decennia die volgen. Terwijl economie en samenleving er vandaag weer heel anders uitzien dan in 1996, en de context waarin de loonnormwet ontstond lang vergeten is, blijft de loonkost zoals zij gebetonneerd werd in de wet van 1996 het begin- en het eindpunt van elk politiek en economisch debat in België, en de logica van arbeidskostenbeperking het vanzelfsprekende uitgangspunt van elk sociaal-economisch beleid.

In een vervolgdeel van deze studie zullen we die logica van arbeidskostenbeperkingen aan een nadere analyse onderwerpen. We zullen daar zien dat sinds midden jaren negentig drie sporen gevolgd werden om de loonkosten voor bedrijven te beperken.

Een eerste spoor zet in op het 'onder controle brengen' van de uitgaven in de Sociale Zekerheid. Immers, hoe lager de uitgaven in de sociale zekerheid, hoe minder hoog de lasten op arbeid moeten zijn om die uitgaven te financieren (de middelen die niet moeten worden uitgegeven, moeten niet worden opgehaald). Nochtans liggen de sociale uitgaven in België niet hoger dan in onze buurlanden.

Een tweede spoor om de arbeidskost te drukken zet in op het verlagen van de lasten op arbeid. Opnieuw vallen verschillende technieken en mechanismen onder deze aanpak, van een lineaire verlaging van het tarief van sociale bijdragen op het loon over specifieke doelgroepenkortingen tot de vrijstellingen voor het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing, maar ook bijvoorbeeld de ontwikkeling van alternatieve verloningsvormen die niet onderworpen zijn aan de ‘normale’ tarieven van sociale bijdragen (of hier zelfs volledig van vrijgesteld zijn), of de introductie van arbeidsstatuten waarbij op het loon geen of minder sociale bijdragen of inkomensbelastingen verschuldigd zijn.

Een derde spoor om de arbeidskost te drukken, zet in op het temperen van de (bruto)loonontwikkeling zelf. De arbeidskost wordt immers niet alleen bepaald door de hoogte van de tarieven van de sociale bijdragen, maar in de eerste plaats door de hoogte van de brutolonen zelf. Door een rem te zetten op de groei van de brutolonen, stijgen bovendien ook de sociale bijdragen minder snel. De loonnormwet is een voorbeeld van dit derde spoor, maar ook maatregelen die behoren tot het eerste of tot het tweede spoor kunnen een effect hebben op de loongroei. Wanneer, bijvoorbeeld, het alternatief van werkloosheid (nog) ‘minder aantrekkelijk’ gemaakt wordt (het eerste spoor), verslechtert dit ook de onderhandelingspositie van werknemers, terwijl ook de ontwikkeling van regimes als flexi-jobs en de uitbreiding van de mogelijkheden voor studentenarbeid (tweede spoor), arbeidsstatuten die veel goedkoper zijn voor werkgevers, druk zet op de reguliere tewerkstelling en de onderhandelingsmarge van werknemers verder onder druk zet — en zo een rem zet op de loonontwikkeling. Ook de verzwakking van het collectieve arbeidsoverleg, met opnieuw de loonnormwet als schoolvoorbeeld, is een belangrijke factor in dit proces.

Tot slot zullen we daar ook zien waarom de verlaging van de arbeidskost niet tot hogere tewerkstelling leidt. We bekijken o.a. in hoeverre (laag- en hoogproductieve) arbeid en kapitaal complementair dan wel substitueerbaar zijn in het productieproces, en welk aandeel de arbeidskost inneemt in de productiekost.

Het politiek-economische beleid heeft zichzelf in een positie geplaatst waarin het geconfronteerd wordt met een onmogelijk op te lossen trilemma: (1) hoe de arbeidskosten voor bedrijven verlagen, (2) zonder het netto inkomen van wie werkt te verlagen, en (3) zonder dat dit de overheidsinkomsten nog verder ondergraaft. Het (bijna) laatste woord is weer aan Fons Verplaetse, begin jaren tachtig kabinetschef van de toenmalige premier Wilfried Martens:

Je kan geen twee zaken tegelijk doen: én de concurrentiekracht van de bedrijven herstellen én de staatsfinanciën gezond maken. Als de concurrentiekracht is hersteld, zullen de staatsinkomsten vanzelf toenemen en zal de schuld wegsmelten.

De staatsschuld dreigt tegen 2030 te stijgen naar een niveau niet meer gezien sinds midden jaren negentig, terwijl men blijft inzetten op verdere arbeidskostverlagingen, in de hoop dat het medicijn deze keer eindelijk wél zal aanslaan, in plaats van ons nog zieker te maken. Een verbitterde Wilfried Martens over de verzekering van Fons Verplaetse:

De schuld smolt niet weg, ze veroorzaakte een rentesneeuwbal.[89]


Voetnoten

  1. "Vandaag gaat het er niet meer om de groei te organiseren, maar de recessie. De sociale zekerheid moet niet meer uitgebouwd worden, maar gered van het failliet. Het obsessionele thema is niet langer het stimuleren van de economie door massaconsumptie, maar de strijd tegen de werkloosheid." 'Plan catastrophe contre le chomage.' Le Soir (20 september 1993).

  2. Jean-Luc Dehaene (1993), 'Regeringsverklaring.' De Kamer (Zitting 1993-1994), 11: 'Handelingen van de Plenaire vergadering van 17 november 1993', p. 274.

  3. Jean-Luc Dehaene (1993), 'Regeringsverklaring.' De Kamer (Zitting 1993-1994), 11: 'Handelingen van de Plenaire vergadering van 17 november 1993', p. 274.

  4. Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires, Uitgeverij Van Halewyck, p. 452. Zie ook: Alfons Verplaetse (2000), 'Van devaluatie tot euro. Het economische en meer bepaald het monetaire beleid van België 1980-2000.' Res Publica (42:1), p. 14.

  5. 'Le Plan Global a-t-il échoué ?' Le Soir (31 maart 1994); 'Compétitivité : le handicap persisterait.' Le Soir (22 sept. 1994). Voor het teleurstellende effect op het vlak van banencreatie, zie ook: 'Dehaene cherche des recettes pour doper les services, emplois.' Le Soir (22 juli 1995).

  6. 'Van Rompuy : maintenir l'effort salarial.' Le Soir (28 juli 1994).

  7. "Dat is de valkuil waarheen de competitiviteitsspiraal leidt. Een loonbeperking wordt, zodra ze wordt doorgevoerd, meteen tenietgedaan door de neerwaartse druk van de concurrenten." 'Concurrence à la baisse : après les salaires, la Sécu ?' Le Soir (31 maart 1994).

  8. "We hebben bewust een strategie gevolgd om de loonkosten ten opzichte van elkaar te verlagen — en in combinatie met een procyclisch begrotingsbeleid had dit als netto-effect alleen maar de verzwakking van onze eigen binnenlandse vraag en de ondermijning van ons sociaal model." Mario Draghi (2024), 'Radical Change Is What is Needed.' Speech at the High-Level Conference on the European Pillar of Social Rights (Brussels, April 16, 2024).

  9. 'Jean-Luc Dehaene verduidelijkt: alle elementen moeten bespreekbaar zijn.' De Financieel-Ekonomische Tijd (17 februari 1995). Of een jaar later: "Premier Dehaene is er van overtuigd dat ons land zich in de huidige internationale concurrentieslag niet de luxe kan veroorloven van én een systeem van automatische loonindexering én volledig vrije loononderhandelingen." 'Heibel rond Toekomstcontract zorgt voor donderwolken boven regering.' De Financieel-Ekonomische Tijd (27 april 1996).

  10. Jean-Luc Dehaene (1995), 'Krachtlijnen voor het Federaal Regeringsprogramma.' Verslag van de Buitengewone Zitting van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (28 juni 1995), p. 8.

  11. De wettekst zoals die vandaag geldig is, is hier te vinden.

  12. Over de totstandkoming van het wetsontwerp in het voorjaar van 1996, zie bijv.: Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires, p. 607 e.v.

  13. De wet van 1989 werd eenmaal ingeroepen, in 1993, in het kader van het Globaal Plan: cf. de regeringsverklaring door eerste minister Jean-Luc Dehaene, De Kamer (Zitting 1993-1994), 11: 'Handelingen van de Plenaire vergadering van 17 november 1993', p. 275; en Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires, p. 449.

  14. "Het project dat u wordt voorgelegd volgt een radicaal verschillende logica. Het heeft tot doel het opzetten van een preventief systeem van vrijwaring van het concurrentievermogen, gericht op kostenbeheersing." Elio Di Rupo, 'Inleidende uiteenzetting door de vice-eerste minister en minister van Economie en Telecommunicatie.' Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 3. 

  15. Alfons Verplaetse (2000), 'Van devaluatie tot euro. Het economische en meer bepaald het monetaire beleid van België 1980-2000.' Res Publica (42:1), p. 6. Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires, p. 158-159.

  16. Het Manifest — ondertekend door o.a. de Leuvense economie-professoren Paul De Grauwe, Wim Moesen, Erik Schokkaert, en Frans Spinnewyn —, werd gepubliceerd op 25 augustus 1993: voor de tekst, zie: 'Leuvens Manifest is een pleidooi voor tijdelijke monetaire versoepeling', De Financieel-Ekonomische Tijd (26 augustus 1993). Paul Van Rompuy, op dat moment ook professor economie aan de K.U. Leuven en dicht aanleunend bij de CVP-top, weigert mee te tekenen: 'Van Rompuy veegt de vloer aan met Manifest van kollega's-professoren', De Financieel-Ekonomische Tijd (28 augustus 1993). O.a. de CEO van Barco, Hugo Van Damme, zal nog in 1994 een devaluatie onvermijdelijk noemen: 'De hele loonkostendiscussie zit verkeerd in mekaar', De Financieel-Ekonomische Tijd (17 september 1994).

  17. Zie de uiteenzetting van Robert Tollet, voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, in de hoorzitting van de Senaat dd. 17 juli 1996: Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 12-13. Zie ook Le Soir (30 januari 1996): "Faute de pouvoir jouer sur les taux de change (...), les ajustements aux pressions économiques externes ou à la compétitivité ne pourront hélas ! porter que sur les deux variables restantes : les salaires et le financement de la sécurité sociale..."

  18. "Een preventief mechanisme ter vrijwaring van het concurrentievermogen moet van nature uit ingrijpen op de elementen die men kan beheersen en die bovendien kwantificeerbaar zijn. Noch de structurele en kwalitatieve determinanten die het concurrentievermogen bepalen, noch zelfs bepaalde kostenelementen, zoals de financiële of de energiekosten, voldoen aan beide eisen." Elio Di Rupo, 'Antwoorden van de minister.' Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 62.

  19. Zie ook: European Commission (1994), Growth, Competitiveness, Employment. The Challenges and Ways Forward Into the 21th Century, p. 74.

  20. 'Hoorzitting met de heer F. Verplaetse, gouverneur van de Nationale Bank.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 207-208.

  21. 'Tussenkomst van de heer P. Moriau.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 60. 

  22. In Le Soir (22 september 1994): "La fiabilité de la loi de sauvegarde de la compétitivité [de 1989] est hypothéquée par ses mésaventures statistiques." Een maand eerder noemde ook de algemeen secretaris van het ACV-CSC Josly Piette de statistieken gebruikt voor het toepassen van de wet van 1989 "ongeloofwaardig": 'Social : la rentrée de tous les dangers.' Le Soir (27 augustus 1994).

  23. 'Hoorzitting met de heer T. Vandeputte (VBO).' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 230.

  24. Tijdens een debat in de Senaat zal een lid bijvoorbeeld opperen dat, "l'abandon du taux de change laisse comme seule pratique de politique économique des techniques ... de blocage des prix et de modération ou de blocage salarial" (Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4, p. 47). Niemand zal de hier opgeworpen mogelijkheid van 'prijsblokkeringen' als economisch instrument verder opnemen in het debat. Met de inflatie-opstoot aan het einde van de acute covid-21-crisis, bijna meteen gevolgd door de explosie van de energieprijzen na de Russische inval in Oekraïne, mochten we een gelijkaardige blikvernauwing vaststellen: 'orthodoxe' economen lachten de suggestie weg van de Duitse econome Isabella Weber dat in deze omstandigheden inflatie best bestreden werd niet door het optrekken van de rente maar door prijscontroles: ingrijpen op de prijs, dat dééd men simpelweg niet. Zie o.a. Isabella Weber (2021), 'Could strategic price controls help fight inflation?' The Guardian (29 december 2021), en Tom Krebs & Isabella Weber (2024), 'Can price controls be optimal? The economics of the energy shock in Germany.' PERI Working Paper n° 597.

  25. Voor de stelling van minister van Economie Elio Di Rupo in die zin, zie: 'Antwoorden van de minister.' Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 62.

  26. Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 46.

  27. Cijfers Eurostat (2025), 'Disaggregated final energy consumption in industry'; eigen berekeningen. 

  28. 'Minister Demir kan naar Madrid: Vlaamse Regering bereikt akkoord over klimaatplan.' De Standaard (9 december 2019). Zie ook: '"Haalbaar en betaalbaar", klinkt het in Vlaamse regering eensgezind over klimaatplan.' De Standaard (6 juli 2025).

  29. 'Nota-Verplaetse wil 120 miljard fr. maatregelen in de sociale zekerheid.' De Financieel-Ekonomische Tijd (20 oktober 1993). De werkgroep bestond uit de gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse; Henri Bogaert, voorzittter van het Planbureau; Herman Verwilst, voorzitter van het directiecomité van ASLK-Bank; Robert Tollet, voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven; Paul Van Rompuy, professor aan de K.U. Leuven; en Michet Jadot, voorzitter van de Hoge Raad van Financiën, afdeling Financieringsbehoeften van de overheid. Ze werden gekozen omdat zij vertrouwenspersonen waren van de verschillende partijvoorzitters van de toenmalige rooms-rode regering: cf. Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires, p. 447.

  30. De Financieel-Ekonomische Tijd (21 september 1994).

  31. 'Jean-Luc Dehaene is reeds klaar met nieuw regeerprogramma.' De Financieel-Ekonomische Tijd (22 april 1995).

  32. Federaal Planbureau (1995), 'Simulaties betreffende een vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid en vormen van alternatieve financiering.' Planning Paper 75 (december 1995).

  33. Jean-Luc Dehaene (1995), 'Krachtlijnen voor het Federaal Regeringsprogramma.' Verslag van de Buitengewone Zitting van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (28 juni 1995), p. 22.

  34. Bart Van Craeynest, 'Wordt 2026 eindelijk het jaar van de productiviteit?' De Tijd (29 december 2025). 

  35. Vergelijk ook: "La preuve est désormais faite que la croissance ne suffit plus à donner de l'emploi. Les gigantesques progrès de l'automatisation, de l'informatique, de la productivité font inexorablement glisser dans un autre type de société. Post-industrielle? L'industrie continuera à jouer un rôle majeur dans l'économie, pas dans l'emploi. Forcée d'augmenter sans cesse sa productivité, à aiguiser sa capacité d'innovation, elle va continuer à laminer ses effectifs." 'Plan catastrophe contre le chomage.' Le Soir (20 september 1993).

  36. "De tekst die wordt voorgelegd staat volledig in het teken van de doelstelling van de ontwikkeling van de werkgelegenheid. (...) Er moet inderdaad vermeden worden dat het concurrentievermogen wordt verzekerd door een toename van de productiviteit ten koste van de werkgelegenheid." 'Inleidende uiteenzetting door de vice-eerste minister.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 7.

  37. "De vrijwaring van het concurrentievermogen is een noodzakelijke voorwaarde voor de vrijwaring van de werkgelegenheid; opdat de werkgelegenheid behouden zou blijven, mag het concurrentievermogen niet alleen door productiviteitswinsten behouden blijven." 'Inleidende uiteenzetting door de vice-eerste minister.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 11. Zie bijvoorbeeld ook de 'Inleidende uiteenzetting door de vice-eerste minister en minister van Economie en Telecommunicatie.' Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 61-62.

  38. Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 60-61. 'Tussenkomst van de heer H. Bonte.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 89. Zie ook de tussenkomst van P. Moriau (PS), p. 60-61: "L'objectif du nouveau mécanisme de formation des salaires ne prête pas à confusion: il faudra éviter que la compétitivité soit assurée par une augmentation de la productivité au détriment de l'emploi."

  39. 'Verplaetse roept op tot Maribel-ter.' De Financieel Ekonomische Tijd (11 juni 1993). Zie ook: 'Hoorzitting met de heer F. Verplaetse, gouverneur van de Nationale Bank.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 208.

  40. 'Verplaetse agite le risque de 'conséquences graves'.' Le Soir (29 mei 1996).

  41. Hans Duquet, 'Loonindexering vernietigt werkgelegenheid.' De Financieel-Ekonomische Tijd (2 maart 1995).

  42. De Financieel-Ekonomische Tijd (4 september 1993).

  43. 'Hoorzitting met mevr. M. Offeciers, beheerder bij het VEV.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 231. In de parlementaire debatten zal het alleen het CVP-parlementslid Chris Moors zijn die opmerkt dat een productiviteitsstijging "niet al te zeer als arbeidsvernietigend mag worden bestempeld. Zij blijft noodzakelijk om onze concurrentiepositie te behouden" (ibid., p. 54). Zijn opmerking wordt niet opgepikt. In het 'buiten-parlementaire' debat verzet Robert Voorhamme zich tegen de al te eenzijdige afkeer van automatisering: "Sorry, maar als we ooit auto's kunnen bouwen zonder mensen, dan vind ik dat op zich nog niet zo slecht." Op dat moment is hij nationaal secretaris bij het ABVV. Zie: 'De hele loonkostendiscussie zit verkeerd in mekaar.' De Financieel-Ekonomische Tijd (17 september 1994)

  44. O.a. de Nederlandse econoom Alfred Kleinknecht heeft langdurig onderzoek gevoerd naar het verband tussen hogere lonen en een hogere arbeidsproductiviteit: cf. bijv. R. Vergeer & A. Kleinknecht (2011), 'The impact of labor market deregulation on productivity: a panel data analysis of 19 OECD countries (1960–2004).' Journal of Post Keynesian Economics (33:2), p. 371-408; A. Kleinknecht, F.N. van Schaik & H. Zhou (2014), 'Is flexible labour good for innovation? Evidence from firm-level data.' Cambridge Journal of Economics (38), p. 1207-1219; en A. Kleinknecht (2018), 'CPB moet naar productiviteitseffecten van loonmatiging kijken.' ESB Blog (31 december 2018).

  45. De cijfers over de werkloosheid en de industriële productie in deze en de volgende paragraaf zijn gebaseerd op de Belgische economische statistieken 1980-1990: retrospectieve reeksen 1920-1990, gepubliceerd door de Nationale Bank van België.

  46. Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires. Uitgeverij Van Halewyck, p. 136.

  47. 'Akkoord brugpensioen.' De Standaard (26 december 1974), p. 1.

  48. Opnieuw Dehaene: "Gezien de crisis en de hoge werkloosheid waren deze maatregelen toen verantwoord. Ze werden trouwens oorspronkelijk als een tijdelijke maatregel geconcipieerd. Men heeft ze echter systematisch verlengd en aldus laten uitgroeien tot een structurele maatregel." Memoires, p. 212. De 'men' waarover Dehaene hier spreekt, slaat ook op hemzelf: hij was in de regeringen-Martens V en -Martens VI minister bevoegd voor sociale zaken, waaronder dus ook de werkloosheid en de pensioenen vielen.

  49. De cijfers van de Nationale Bank, hierboven geciteerd, tellen het aantal niet-werkende werkzoekenden: zie Nationale Bank van België (1990), Belgische economische statistieken 1980-1990. Toelichting, p. 14. De cijfers van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in hun 'Historische reeksen' geven het aantal 'uitkeringsgerechtigde volledig werklozen'.

  50. Nationale Bank van België (1990), Belgische economische statistieken 1980-1990. Tabellen., p. 5.

  51. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, 'Historische reeksen': 'Niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen'.

  52. Zie bijv. Nationaal Instituut voor de Statistiek (1992), Sociale statistieken 1992 n° 2, p. 79. De publicatie van de 'Sociale statistieken' liep van 1970 tot 2000.

  53. Zie bijv. de uitspraak van de topvrouw van het Vlaams Ekonomisch Verbond: "De specialisatiegraad van onze ondernemingen zit vooral in de massaproductie in arbeidsintensieve bedrijven, waar loonkost centraal staat." 'Hoorzitting met mevr. M. Offeciers, beheerder bij het VEV.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 231.

  54. Nationale Bank van België (1960), Belgische economische statistieken 1950-1960. Deel II: Tabellen, p. 45-46; eigen berekeningen.

  55. In 1967 is 45% van de arbeiders in de textielsector een vrouw, in de kledingsector zelfs 84%. In de totale nijverheid gaat het dat jaar om niet meer dan een kwart van de arbeiders. Bron: Nationaal Instituut voor de Statistiek (1970), Sociale statistieken n° 1, p. 61.

  56. Nationaal Instituut voor de Statistiek (1962), Statistisch Jaarboek voor België, p. 437-438; eigen berekeningen.

  57. Nationaal Instituut voor de Statistiek (1968), Statistisch Jaarboek voor België, p. 236; De Standaard (5 december 1958), p. 2.

  58. Nationaal Instituut voor de Statistiek (1962), Statistisch Jaarboek voor België, 'Algemene resultaten van de jaarlijkse productiestatistieken'; eigen berekeningen.

  59. In 1958 telt België iets meer dan 600.000 personenwagens, in 1970 meer dan twee miljoen. Het sporennetwerk van de buurtspoorwegen was in het Expojaar nog bijna 1.700 km lang, in 1970 minder dan driehonderd kilometer (en ook het sporennetwerk beheerd door de NMBS kromp in dezelfde periode met 700 km). Het aantal ingeschreven televisietoestellen vertienvoudigde bijna, van 220.000 toestellen in 1958 tot 2.100.000 in 1970. Het aantal toeristische overnachtingen steeg van 16 miljoen in 1958 (door de Expo al een uitzonderlijk goed jaar), tot 27 miljoen in 1970. Cijfers: Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistisch Jaarboek voor België (verschillende jaargangen), rubrieken 'Vervoer', 'Communicatie', 'Toerisme'.

  60. Nationaal Instituut voor de Statistiek (1975), Statistisch Jaarboek voor België, p. 590. Bediendengezinnen gaven in 1961 27% van hun budget uit aan (thuis verbruikt) voedsel, en nog maar 17% in 1973-1974. Ter vergelijking: in 2024 besteedde het gemiddelde Belgische gezin 12,7% van het huishoudbudget aan voeding (Statbel, Huishoudbudgetonderzoek 2024).

  61. De katoenspinnerijen bijvoorbeeld produceren 7,45 ton per werknemer in 1970, tegenover 5,34 ton in 1958, terwijl de productiviteit van een werknemer in de weefnijverheid in dezelfde periode toeneemt van 3,90 ton naar 7,03 ton. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistisch Jaarboek voor België, 'Nijverheid'; eigen berekeningen. 

  62. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistisch Jaarboek voor België, 'Indexcijfers der groothandelsprijzen volgens de aard der produkten.'

  63. De neergang van de katoenspinnerij was al langer ingezet, en daar versnelt de krimp nog: tussen 1970 en 1980 daalt de productie met bijna 37%. De productie van vlasspinsels krimpt in dezelfde periode met twintig procent, van jutespinsels zelfs met tachtig procent. In de weefnijverheid daalt het volume aan geproduceerde katoenweefsels met bijna 28%, de wolweefsels met negen procent, de vlasweefsels met bijna de helft, de productie van tapijten van harde vezels met meer dan de helft, en de juteweefsels met meer dan tachtig procent. En ook het tonnage aan breigoed zal in de jaren zeventig sterk krimpen, met bijna dertig procent. Daar staat tegenover dat de productie van weefsels van synthetische vezels in dezelfde periode vervijfvoudigt.

  64. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Sociale statistieken: 'Tewerkstelling. Indeling naar activiteitsklassen.'

  65. 'Europese schoennijverheid ongerust over toenemende invoer.' Het Laatste Nieuws (24 juni 1974), p. 4. Drie jaar later schrijft De Standaard dat "de importprijzen voor afgewerkte schoenen uit die landen [sc. Brazilië, Zuid-Korea, Taiwan] praktisch gelijk zijn aan de grondstofprijzen in België" (4 oktober 1977), p. 3.

  66. Planbureau (1994), Delocalisatie van de bedrijven, p. 225.

  67. 'Marktaandeel goedkope garens steeg tot 72%' De Standaard (11 juni 1976), p. 3.

  68. 'Haalt de Belgische industrie 1984?' De Standaard (28 februari 1977), p. 1.

  69. 'Besluiteloosheid van EG kwam textiel duur te staan.' De Standaard (2 november 1977).

  70. Het eerste zogenaamde 'Textielplan' wordt uitgewerkt tijdens de regering-Tindemans IV: cf. De Standaard (14 oktober 1977), p. 3. Textiel was één van de vijf 'nationale sectoren' die in 1974 niet mee werden geregionaliseerd met de rest van het economisch ondersteuningsbeleid, omdat "de zware herstructureringen die noodzakelijk waren, de middelen van de gewesten ver te boven ging"; in 1983 werden na communautaire hoogspanning rond de ondersteuning van de staalsector ook deze sectoren geregionaliseerd (Dehaene (2012), Memoires, p. 171-173).

  71. 'Textielplan kost 35 miljard.' De Standaard (17 juli 1980), p. 1.

  72. 'Textiel en konfektie: omvang van de krisis.' De Standaard (17 juli 1980), p. 3.

  73. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistisch Jaarboek voor België, 'Nijverheid'; eigen berekeningen.

  74. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Sociale statistieken.

  75. De Financieel Ekonomische Tijd (2 april 1992). De commissie wijst ook het textielplan met de vinger, dat tot overinvesteringen geleid zou hebben, en een "familiaal en vergrijzend management."

  76. Een textielarbeider krijgt een loon dat 15% lager ligt dan het gemiddelde in de nijverheidssector; een arbeider in de kleding- en confectie verdient zelfs dertig procent minder dan het gemiddelde. Nationaal Instituut voor de Statistiek (1995), Statistisch Jaarboek voor België, p. 552; eigen berekeningen.

  77. Zo bijvoorbeeld Erik Magnus van de Kledingfederatie in De Financieel Ekonomische Tijd van 5 februari 1994.

  78. Planbureau (1994), Delocalisatie van de bedrijven, p. 225.

  79. 'Requiem voor de loonkonfectie.' De Financieel Ekonomische Tijd (24 juni 1993).

  80. 'Requiem voor de loonkonfectie.' De Financieel Ekonomische Tijd (24 juni 1993).

  81. European Commission (1994), Growth, Competitiveness, Employment. The Challenges and Ways Forward Into the 21th Century, p. 125.

  82. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistisch Jaarboek voor België, eigen berekeningen. In 1992 lag de loonkost per werknemer in de breigoednijverheid en in de kledingconfectie meer dan een derde lager dan in de weefnijverheid; in de katoenspinnerijen lag de loonkost twintig procent lager.

  83. Alfons Verplaetse (2000), 'Van devaluatie tot euro. Het economische en meer bepaald het monetaire beleid van België 1980-2000.' Res Publica (42:1), p. 11. Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires, p. 312-313.

  84. Alfons Verplaetse (2000), 'Van devaluatie tot euro. Het economische en meer bepaald het monetaire beleid van België 1980-2000.' Res Publica (42:1), p. 12-14. B. Eichengreen (2000), 'The EMS Crisis in Retrospect.' NBER Working Papers 8035.

  85. De Nationale Bank zou voor 550 miljard frank moeten tussenkomen om de Belgische frank te stabiliseren; eind 1993 had de munt zich weer hersteld op het oude peil. Toenmalig premier Dehaene presenteert in zijn Memoires het 'Globaal Plan' dat zijn regering half november afklopte als zowel genoodzaakt door de muntcrisis als beslissend voor het einde ervan: Jean-Luc Dehaene (2012), Memoires. Uitgeverij Van Halewyck, p. 444-445, en p. 456. Zie ook: Alfons Verplaetse (2000), 'Van devaluatie tot euro. Het economische en meer bepaald het monetaire beleid van België 1980-2000.' Res Publica (42:1), p. 14.

  86. 'Hoorzitting met de heer F. Verplaetse, gouverneur van de Nationale Bank.' Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 204-205. Merk op dat reeds in 1955 België een land was met — in vergelijking met de buurlanden — zowel hoge lonen als een hoge productiviteit: cf. De Standaard (10 november 1955), p. 1. Zie ook: Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4, p. 23.

  87. "Als voordien reeds arbeid gesubstitueerd werd door kapitaal, is de investering reeds gerealiseerd en beschikbaar. Het bedrijf zal deze investering om te rationaliseren blijven gebruiken, zelfs wanneer de arbeidskost daalt. De verlaging van de arbeidskost zal zich dus eerder vertalen in winsten, en niet in werkgelegenheid." Elio Di Rupo, 'Antwoorden van de minister.' Senaat (Zitting 1995-1996), 1-386/4. Verslag, p. 70. 

  88. "Verloren gegane werkgelegenheid kan niet met terugwerkende kracht opnieuw geschapen worden." Kamer (Zitting 1995-1996), 609/9. Verslag Tijdelijke Commissie Loonnormwet, p. 157.

  89. De citaten van Fons Verplaetse en van Wilfried Martens zijn te vinden in die laatste zijn memoires, en zijn hier geciteerd uit: Stefaan Michielsen (2016), 'Toen kon het plots wel, de begroting saneren.' De Tijd.

Contact - Matthias Somers • matthias.somers@denktankminerva.be

Referentie - Matthias Somers (2026), Politieke economie van de loonkostverlagingen. Deel 1: De loonnormwet van 1996 in context. Brussel: Denktank Minerva.

TUSSEN LES EN LOON: STUDENTENARBEID IN BELGIË ONDER DE LOEP 

TUSSEN LES EN LOON: STUDENTENARBEID IN BELGIË ONDER DE LOEP