De overheid moet een investeringsbank overwegen

De Belgische energietransitie en de implementatie van het klimaatakkoord van Parijs vergen een sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog niet geziene hoeveelheid investeringen. Zo schatte de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) samen met enkele andere onderzoeksinstellingen in 2012 dat er tot 2050 jaarlijks 10 à 15 miljard euro aan investeringen nodig zijn voor de energietransitie in België.

In het Zomerakkoord van de regering-Michel zien we dat de overheid toch een poging wil doen om investeringen en in het bijzonder groene investeringen te versterken. Er is de ambitie om tegen 2030 60 miljard euro te mobiliseren aan investeringen in gebouwen, mobiliteit, energie en de digitale economie. Daarnaast wil de overheid zogenaamde "groene obligaties" uitgeven voor institutionele beleggers om investeringen mee te financieren die bijdragen aan de reductie van broeikasgasemissies. Al blijft het akkoord vaag over de specifieke implementatie, realisatie en beheer van deze initiatieven en middelen, en de impact op de begroting.

Dat laatste brengt me bij de grote investeringsparadox waar veel overheden in de EU mee geconfronteerd worden. De investeringsnoden zijn gekend en de politieke wil is er om deze aan te vatten. Maar er blijft een grote rem staan op overheidsuitgaven - in het bijzonder investeringen - met als doel de overheidsschuld in lijn te brengen met Europese begrotingsdoelstellingen en boekhoudregels. Zo moeten alle overheidsuitgaven als schuld geboekt worden, zonder onderscheid tussen gewone uitgaven (zoals lonen van ambtenaren) en investeringen (zoals schoolgebouwen). Bovendien moeten deze investeringen in activa volledig afgeschreven worden in het jaar dat zij plaatsvinden, zelfs al worden ze over meerdere jaren afbetaald.

Deze regels zijn, in combinatie met de Europese verplichtingen om de overheidsuitgaven onder controle te houden, fnuikend voor overheden die met investeringen een sociaaleconomische transitie willen bewerkstelligen. Voor lokale overheden, met een kleinere begroting, zijn deze regels des te nijpender. Dat weten de Vlaamse en Waalse overheden maar al te goed. Zo is er nog steeds een uitstaand conflict met de Europese Commissie over het afboeken van de kosten voor de Oosterweelverbinding, binnen of buiten de Vlaamse begroting.

Uit diezelfde hoed van de Commissie komt echter een mogelijke oplossing voor deze impasse. De Commissie ziet een steeds grotere rol weggelegd voor nationale investerings- of stimuleringsbanken. Die moeten dienen als stabiele interfaces in de implementatie van het Europese Fonds voor Strategische Investeringen, andere Europese fondsen en de Europese Investeringsbank (EIB). Deze nationale stimuleringsbanken kunnen volgens de Commissie een instrument zijn om de overheidsmiddelen optimaal in te zetten.

 

Buiten de begroting

Een van de belangrijke voordelen van een nationale investeringsbank is dat zij onder bepaalde voorwaarden buiten de begroting gehouden kan worden. Zo moeten beslissingen over leningen op een armlengte van de overheid gehouden worden en moet het bestuur van de nationale investeringsbank gevrijwaard zijn van directe inmenging van de overheid.

De bank zal bij haar oprichting nog steeds statutair een duidelijke en specifieke missie kunnen meekrijgen van de overheid, zoals het faciliteren van investeringen die nu moeilijk ingevuld worden door de private sector alleen (zoals bij marktfalen). Het realiseren van de Belgische energietransitie en de industriële transformatie naar een lagekoolstofeconomie zijn goede voorbeelden.

Een nationale investeringsbank kan daarenboven ook de investeringsinspanning van de gewestelijke en lokale overheden verlichten. Zo kan de bank kapitaal inbrengen in gewestelijke participatiemaatschappijen of aandelen nemen in special purpose vehicles (SPV’s), opgericht om lokale investeringen te faciliteren.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat steeds meer Europese lidstaten en regio’s zulke nationale investeringsbanken oprichten of, zoals Frankrijk, bestaande nationale investeringsbanken inschakelen om de energietransitie te helpen financieren.

 

Belgisch kapitaal

Idealiter gebeurt de kapitalisatie van een nieuwe nationale investeringsbank met Belgisch kapitaal. Zo zou het mogelijk moeten zijn om Belgische institutionele investeerders, bijvoorbeeld pensioenfondsen, systematisch en op grotere schaal bij de bank te betrekken. Zo blijven de investeringen van de bank ook in Belgische handen en vloeit de rente op nieuwe (energie)infrastructuur terug naar Belgische investeerders.

De oprichting van een nationale investeringsbank is geen nieuw idee. Het idee werd al geopperd bij de overweging van een verkoop van de overheidsaandelen in Belfius, maar het werd nooit ernstig genomen. Toch lijkt het erop dat de overheid dit op termijn wel moet overwegen. De combinatie van de immense gewestelijke en federale investeringsbehoeften voor onder andere de energietransitie en de modernisering van het industrieel weefsel, de budgettaire en begrotingstechnische beperkingen en voorbeelden in andere Europese lidstaten nopen tot een heroverweging van deze optie.

 

Tomas Wyns is senior researcher aan het Institute for European Studies (IES), Vrije Universiteit Brussel. Deze gastbijdrage verscheen eerder in De Tijd.

Democratie, ook op de werkvloer

De gevaren van de collectieve winstpremie