De grootste bedreiging voor onze economie is de loonnormwet

De grootste bedreiging voor onze economie is de loonnormwet

Onze welvaart is gebouwd op productiviteitswinst. Waarom dan vasthouden aan een dertig jaar oude loonnormwet die productiviteitsgroei net als het grote gevaar zag, vraagt Matthias Somers zich af.

Op 26 juli is de loonnormwet precies dertig jaar oud. Haar houdbaarheidsdatum heeft ze daarmee ver overschreden: de loonnormwet steunt op de aanname dat productiviteitswinsten een gevaar zijn voor onze werkgelegenheid. Vandaag zijn economen en beleidsmakers het net over het tegendeel eens: de druk van de vergrijzing maakt het noodzakelijk om méér te doen met minder. Meer welvaart creëren met minder arbeid. Willen we opnieuw aanknopen met productiviteitsgroei om onze welvaart op een stevige basis te zetten en de vergrijzingsdruk op te vangen, dan moeten we af van een politiek die lagere loonkosten als het begin- en eindpunt ziet van elk economisch beleid.

De loonnormwet van 1996 moest de lonen drukken om de concurrentiekracht van Belgische bedrijven te vrijwaren.

De loonnormwet van 1996 wilde een rem zetten op de lonen van Belgische werknemers: alleen door de loonkosten te beheersen zouden Belgische bedrijven de concurrentie met het buitenland kunnen blijven aangaan. Dertig jaar later lijkt die logica vanzelfsprekend. Maar wie terugkeert naar de debatten uit het begin van de jaren 90, ontdekt een vandaag veel minder bekend verhaal. De torenhoge werkloosheid wierp een donkere schaduw over België. En politici en economen leken het in die dagen over één ding eens te zijn: de sterke productiviteitsgroei was mee de oorzaak van die werkloosheid.

In 1994 telde België maar liefst 760.000 uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, op een totale bevolking van 10 miljoen mensen. Nooit zaten meer mensen zonder werk. Sinds de oliecrisis van de jaren 70 was de werkloosheid hand over hand blijven toenemen, en ook het herstelbeleid van de jaren 80 kreeg de neergang van de industrie niet gestuit.

Lageloonlanden

Naar de oorzaak van die torenhoge werkloosheid was het niet ver zoeken. De maakindustrie vormde de ruggengraat van de Belgische economie, maar stond danig onder druk. De goedkope, arbeidsintensieve massaproductie van relatief laagwaardige goederen kon niet opboksen tegen de opkomende concurrentie uit lageloonlanden. Maar ook de verschuiving naar de meer kapitaalintensieve productie van 'hoogwaardige' goederen zag men als een gevaar.

Door de technologische innovatie, door de toenemende automatisering en robotisering en door investeringen in het efficiënter maken van het arbeidsproces konden bedrijven steeds méér produceren met minder volk op de werkvloer. Maar die hogere arbeidsproductiviteit ging ten koste van de werkgelegenheid, vreesde men. En dat moest, in tijden van hoge werkloosheid, tot elke prijs vermeden worden.

Wie er de kranten, parlementaire debatten en beleidsdocumenten uit die periode op naslaat, stoot steeds op dezelfde, door haast iedereen gedeelde bezorgdheid: productiviteitsgroei is een bedreiging voor de werkgelegenheid. Dat inzicht is cruciaal om te begrijpen hoe de loonnormwet uiteindelijk vorm kreeg.

Aanvankelijk werd concurrentievermogen veel breder gedefinieerd dan vandaag. Beleidsmakers erkenden dat de concurrentiekracht van bedrijven afhing van tal van factoren: financieringskosten, energiekosten, innovatie, productkwaliteit, exportprestaties, technologische ontwikkeling en productiviteit. Loonkosten waren maar één element in een veel ruimer geheel.

Maar precies omdat men arbeidsintensieve groei wilde stimuleren en de zoektocht naar arbeidsbesparende productiviteitswinsten met argwaan bekeek, werd de aandacht vernauwd tot één factor: de loonkosten. Lage loonkosten moesten bedrijven ertoe aanzetten meer mensen aan te werven in plaats van te investeren in 'arbeidsbesparende' technologie, efficiëntere productieprocessen en een lager energieverbruik. De vraag naar concurrentievermogen werd zo herleid tot de vraag naar de evolutie van de lonen.

Arbeidskrapte

Die keuze leeft vandaag voort in de loonnormwet. Die wet steunt op de angst dat hoge loonkosten leiden tot een zoektocht naar productiviteitswinsten, en dat productiviteitswinsten ten koste gaan van de werkgelegenheid. Het eerste punt klopt: hoge loonkosten zetten bedrijven inderdaad aan om te innoveren en efficiënter te produceren. Het tweede punt klopt niet. Productiviteitswinsten kunnen zowel leiden tot hogere winstmarges als tot lagere verkoopprijzen: hogere winstmarges stimuleren extra investeringen in de economie, lagere verkoopprijzen creëren extra vraag. Het eindresultaat is een groeiende economie, niet een daling van de werkgelegenheid.

De grootste bedreiging voor de Belgische economie is niet meer de torenhoge werkloosheid, zoals in 1996, maar het gebrek aan productiviteitsgroei en een arbeidskrapte die in tijden van vergrijzing alleen maar scherper dreigt te worden. We moeten méér leren doen met minder: meer welvaart creëren met minder handen, meer welvaart creëren met een lager energieverbruik.

Als innovatie en efficiënter produceren de voornaamste bronnen van welvaartstoename zijn, en als we innovatie en de zoektocht naar productiviteitsgroei willen stimuleren, is het dan niet merkwaardig dat we blijven vasthouden aan een beleidsinstrument dat precies het tegengestelde doel beoogde? Het is precies omdat loonmatiging tot een lagere productiviteitsgroei leidt, dat een politiek van loonmatiging werd gevoerd: als we de productiviteitsgroei willen aanzwengelen, moeten we een politiek durven los te laten die loonmatiging het begin- en einddoel van elk economisch beleid maakt.

Dertig jaar geleden leek productiviteitsgroei een bedreiging. Nu is ze onze belangrijkste garantie op welvaart. Het is daarom tijd om de loonnormwet van haar voetstuk te halen en opnieuw een fundamenteel debat te voeren over wat concurrentievermogen werkelijk betekent.

We zullen onze economische toekomst niet veiligstellen op basis van de loonkosten alleen. We zullen dat doen op basis van het vermogen om te innoveren, technologie te ontwikkelen, energie efficiënter te gebruiken en de productiviteit te verhogen. Precies daarom moeten we durven los te komen van een wet die ontstond in een tijd waarin productiviteit niet werd gekoesterd, maar gevreesd.

matthias somers denktank minerva

Matthias Somers

Coördinator en Wetenschappelijk Medewerker bij Denktank Minerva.

🌐 matthias.somers@denktankminerva.be

-          Deze bijdrage verscheen eerder bij De Standaard.

Ceuta toont niet de nood aan sterkere grenzen. Het ontmaskert ‘Fort Europa’ als een gevaarlijke fictie

Ceuta toont niet de nood aan sterkere grenzen. Het ontmaskert ‘Fort Europa’ als een gevaarlijke fictie

De weg naar de wrokkige samenleving - ANTWOORD OP VANDENBROUCKE

De weg naar de wrokkige samenleving - ANTWOORD OP VANDENBROUCKE