Waar komt het hoge begrotingstekort vandaan? (II)

Waar komt het hoge begrotingstekort vandaan? (II)

- Hoe de federale overheid zichzelf arm heeft gemaakt.

Nog nooit waren meer mensen aan het werk als vandaag, en toch lag de opbrengst van de sociale bijdragen nog nooit zo laag als vandaag. In haar pogingen om de lasten op arbeid te verlagen, heeft de federale overheid zichzelf klemgereden.

Hoe komt het dat de Belgische federale overheid haar begroting maar niet op orde krijgt? In feite is het antwoord op die vraag heel eenvoudig: zij beschikt vandaag over veel te weinig middelen om haar opdrachten te vervullen.

Dat kan paradoxaal lijken, want is België dan geen belastingkampioen? In de Minerva-bijdrage van vorige maand in SamPol zagen we al hoe de federale overheid het gros van de belastingen die zij int, integraal moet doorsluizen naar andere bevoegdheidsniveaus: in de eerste plaats de gewesten en gemeenschappen, bijkomend ook de sociale zekerheid. Bovendien moet de federale overheid ook de rentelasten dragen, de intresten die zij moet betalen op de historische staatsschuld, een erfenis van de jaren 1960, 1970 en 1980. Slechts met de middelen die dan nog resten – en met nieuwe schulden – kan de federale overheid haar eigen bevoegdheden uitoefenen: defensie, openbare orde en veiligheid, economische aangelegenheden, een stukje sociaal beleid, ...

En wat rest na alle afdrachten is schrikbarend weinig, en jaar na jaar minder.

Het verslag van het Monitoringcomité van juli dit jaar raamt de fiscale ontvangsten van de federale overheid voor 2026 op bijna 166 miljard euro. Meer dan 94 miljard euro daarvan is echter bestemd voor dotaties en overdrachten aan andere overheden (60 miljard gaat naar de gemeenschappen en gewesten, 27 miljard naar de sociale zekerheid), en nog eens bijna 13 miljard moet de federale overheid spenderen aan rentebetalingen. Wat dan nog rest, is slechts 58 miljard euro. Maar wat zegt ons de omvang van die bedragen?

Het betekent dat de middelen waarover de federale overheid effectief beschikt voor haar eigen bevoegdheden, gedaald zijn naar minder dan 10% van het bbp: in 2018 ging het nog om meer dan 12%. En wat vooral zorgen moet baren, is dat het Monitoringcomité voorspelt dat deze middelen, onder andere door de aangekondigde belastingverlaging, nóg verder zullen wegzakken. Over vijf jaar zou de federale overheid nog amper iets meer dan 7% van het bbp overhouden voor eigen beleid – en het is niet dat de overheid ondertussen minder taken en opdrachten te vervullen heeft, integendeel.

Iedereen zal wel begrijpen dat wanneer de middelen zó sterk dalen, een steeds dieper begrotingstekort haast onvermijdelijk is, alle begrotingsconclaven waarmee ‘nu echt voor eens en altijd het rotten gestopt zal worden’ ten spijt. De cruciale vraag is dan: hoe komt het dat de eigen middelen van de federale overheid zo achteruit boeren?

Opnieuw kunnen we kort zijn over het antwoord: in haar pogingen om de ‘lasten op arbeid te verlagen’, heeft de federale overheid zichzelf klemgereden.

Vanuit de overtuiging dat een lastenverlaging voor bedrijven de economie zal aanzwengelen en het aantal jobs de hoogte in zal jagen, grijpen opeenvolgende Belgische regeringen al sinds het begin van de jaren 1990 enthousiast naar dit instrument. Dat mag wat kosten, maar dat hoeft geen bezwaar te zijn: die lastenverlagingen zullen zichzelf immers ‘dubbel en dik terugverdienen’.

De impact van dit beleid laat zich eenvoudig aflezen aan de evolutie van het 'normale' tarief van de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid, dat in 1990 nog bijna 42% bedroeg. Onder rooms-rode, paarse en andere bontgekleurde regeringen was dit al teruggebracht naar 33% in 2014, om met de taxshift van de regering-Michel nog verder te zakken, tot nog slechts 25%.

Die laatste operatie alleen al kost de sociale zekerheid dit jaar bijna 9 miljard euro, en dat loopt tegen 2030 verder op naar 10 miljard euro. Pro memorie: 10 miljard euro is ook het bedrag waar de regering-De Wever dit begrotingsconclaaf naar op zoek is.

En daar blijft het niet bij, want daarnaast kunnen bedrijven ook genieten van een 'structurele' vermindering van de sociale bijdragen (goed voor nog eens 2,5 miljard euro), en van doelgroepgerichte verminderingen. Voor allerlei profielen en in verschillende situaties zijn bedrijven ook vrijgesteld van het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing (goed voor 4,5 miljard euro aan minderinkomsten voor de overheid): op uw loonbrief verschijnt het alsof het bedrijf een deel van uw loon heeft ingehouden om door te storten aan de fiscus, in werkelijkheid mag het bedrijf die som in eigen zak steken.

Alsof dat niet genoeg is, maken bedrijven ook steeds vaker gebruik van alternatieve verloningsvormen, waarop geen, of minder, sociale bijdragen verschuldigd zijn, van maaltijdcheques over salariswagens tot aandelenopties en aanvullende pensioenen. Als dat niet volstaat, kunnen bedrijven loon ook uitbetalen in de vorm van auteursrechten, of zet men managementvennootschappen op. Bovendien kunnen bedrijven ondertussen ook gebruik maken van een veelvoud aan alternatieve arbeidsstatuten, zoals studentenjobs en flexi-jobs, die opnieuw veel goedkopere arbeid leveren aan bedrijven.

Keer op keer ontwerpt de overheid zo zelf nieuwe mogelijkheden voor bedrijven om te ontkomen aan een reguliere verloning, waarop normale inkomensbelastingen en normale sociale bijdragen verschuldigd zijn – alles om de 'lasten op arbeid te doen dalen’.

Het gevolg is dat we vandaag in de feiten niet meer kunnen zeggen wie hoeveel belastingen en sociale bijdragen waarop betaalt, laat staan dat we nog zinnige uitspraken kunnen doen over de werkelijke belastingdruk.

Of die opeenvolgende lastenverlagingen zichzelf inderdaad hebben terugverdiend, is een heel andere zaak.

Nog nooit waren zo veel mensen aan de slag in België als vandaag, niet alleen in absolute, maar ook in relatieve termen. Halfweg de jaren 1990 was minder dan 60% van de bevolking op arbeidsleeftijd aan de slag. Vandaag is dat meer dan 70%. Dat zou zich, volgens de theorie die de arbeidslastenverlagingen motiveert, moeten vertalen in gezondere overheidsfinanciën: meer mensen aan het werk, betekent ook meer sociale bijdragen.

Wat blijkt echter? Nog nooit lag de opbrengst van de sociale bijdragen zo laag als nu. In de eerste helft van de jaren 1990 leverden sociale bijdragen de sociale zekerheid nog 18,5% van het bbp op, maar sindsdien gaat de trend alleen maar neerwaarts: van iets meer dan 18% in de tweede helft van de jaren 1990, over 17% in de jaren 2000, naar minder dan 16% vandaag. Terwijl we weten dat we door de vergrijzing net méér middelen nodig zullen hebben voor de financiering van de sociale zekerheid, organiseert de federale overheid een systeem waarin de ontvangsten jaar na jaar dalen.

We mogen hierbij niet uit het oog verliezen wat er precies gebeurt bij een lastenverlaging voor bedrijven.

De arbeid die wij verrichten ten bate van een onderneming komt met een prijs: deels in de vorm van het loon dat we rechtstreeks uitbetaald krijgen, deels in de vorm van de bijdragen aan de sociale zekerheid, het equivalent van de sociale rechten die we door onze arbeid opbouwen. Een lastenverlaging, een vermindering van de bijdragen aan de sociale zekerheid, maakt een uur arbeid voor dat bedrijf goedkoper: de prijs die zij moeten betalen voor mijn arbeid, daalt. Dat is natuurlijk het hele punt van die lastenverlaging. Maar iemand moet dat prijsverschil wel betalen: ofwel de loontrekkende, waarvan de sociale rechten afgebouwd moeten worden om die lagere sociale bijdragen te compenseren; ofwel de overheid, die een deel van de verloning van het bedrijf moet overnemen om die sociale rechten te garanderen.

Dat is precies wat hier gebeurt: de krater die de stelselmatige vermindering van de sociale bijdragen slaat, vertaalt zich enerzijds in het afbouwen van sociale rechten (zoals het verhogen van de pensioenleeftijd of het verstrengen van de regels rond de vervangingsinkomens) en anderzijds in een steeds grotere tussenkomst van de federale overheid in de financiering van de sociale zekerheid.

Natùùrlijk kost de sociale zekerheid in zijn geheel ons meer dan in de jaren 1990. Niet alleen is het aantal ouderen in onze samenleving sterk gestegen, de massale intrede van vrouwen op de arbeidsmarkt vanaf de jaren 1970 maakt ook dat hun pensioenrechten er sterk op vooruitgegaan zijn. Maar daarbij mogen we niet uit het oog verliezen dat onze sociale bescherming ons nog steeds minder kost dan in onze buurlanden. En vooral: het is niet die stijging van de sociale uitgaven die het gat in de begroting kan verklaren.

Doorheen de jaren 1990 besteedden we in totaal gemiddeld meer dan 28% van het bbp aan de sociale zekerheid. In de periode na de Covid-crisis is dat gestegen naar net iets meer dan 30%. Een toename, zeker, maar niet van dien aard om de overheidsfinanciën te doen ontsporen. In dezelfde periode neemt de overheidsfinanciering van de sociale zekerheid echter, parallel aan de vermindering van de sociale bijdragen, hand over hand toe: van gemiddeld minder dan 7% van het bbp in de jaren 1990, naar bijna 13% vandaag.

Het zijn die overdrachten, noodzakelijk gemaakt door de goedkopere arbeid voor bedrijven, die maken dat de federale overheid steeds minder middelen overhoudt voor eigen beleid, en dus nieuwe schulden moet maken. Alleen wanneer we de financiering van de sociale zekerheid opnieuw op een zekere basis plaatsen, kunnen we – om met de woorden van De Wever te spreken – ‘het rotten stoppen’.

- deze bijdrage verscheen eerder bij Sampol.

Analyse van de verdeling en doeltreffendheid van de begrotingsinspanningen van de Arizona-regering

Analyse van de verdeling en doeltreffendheid van de begrotingsinspanningen van de Arizona-regering