Het sociaal overleg op bedrijfsniveau kan beter

Deze week kunnen meer dan 1 miljoen Belgen hun stem uitbrengen. Niet op de Alexander De Croo’s van deze wereld, maar wel op hun directe collega’s, de spreekwoordelijke Jan met de pet. Zij mogen dan hun mening en belangen verdedigen tegenover het bedrijfsmanagement. De sociale verkiezingen zijn de hoogmis van de economische democratie.

Maar heel ver gaat die democratie niet in België. Via de sociale verkiezingen worden werknemersvertegenwoordigers gekozen voor de ondernemingsraad (OR) en het comité voor preventie en bescherming op het werk (kortweg het comité of CPBW). Die raden zijn verre van het bedrijfsequivalent van het parlement. De werknemers kunnen hun mening geven, maar echte invloed op de managementsbelissingen is er niet.

Toch dragen de werknemers het systeem op handen. Uit een recente studie van Randstad blijkt dat de werknemers tevreden zijn over de werking van de ondernemingsraad en het comité, en het belang ervan duidelijk inzien. Ook voor de werkgevers zit er potentieel in het systeem. Volgens een Europese studie leggen bedrijven met sterke ondernemingsraden betere prestaties voor.

Maar beide studies identificeerden ook enkele pijnpunten van het Belgische sociale overleg op ondernemingsniveau. De Belgische ondernemingsraden hebben vaak weinig beslissende invloed op bedrijfsbeslissingen. Werknemers uit kmo’s willen graag een ondernemingsraad, maar dat kan in België niet. En een verrassend groot aantal werknemers ziet het wel zitten dat werknemersvertegenwoordigers zouden zetelen in de raden van bestuur van bedrijven, dat werknemers bedrijven dus mee zouden beheren.

Inertie

We kunnen deze wensen ter harte nemen, maar helaas blijkt het zéér moeilijk te zijn om het systeem aan te passen. Niemand wil zich blind in avonturen storten die samen met het badwater misschien ook veel kinderen kunnen wegspoelen. Het gevolg is een grote mate van inertie en padafhankelijkheid: we werken verder op basis van wat er is, niet van wat er zou kunnen zijn.

Hoe geraken we verder? Een mogelijkheid ligt in het scheppen van ruimte voor experimenten. Waarom zouden we, op een gecontroleerde manier, bedrijven niet laten afwijken van de bestaande structuren, op vraag van de werknemers en na onderhandelingen met de werkgever? Wat toenmalig minister van Arbeid Michel Hansenne in de jaren 80 met de arbeidstijd deed, kunnen we herhalen met het sociaal overleg: laat degenen die verder willen gaan dan de minima hun ding doen en evalueer de resultaten.

Er zijn mogelijkheden genoeg. Als werknemers een vertegenwoordiging willen in kmo’s, geef ze dan het recht en de mogelijkheid om een soort ondernemingsraad-light aan te vragen. Geraken ze er niet uit met de werkgever, dan vallen we terug op de vakbondsafvaardiging.

Als werknemersvertegenwoordigers het vergaderritme te hoog vinden, laat ondernemingen de OR en het CPBW voor enkele jaren fuseren, na onderhandelingen over de modaliteiten.

Als werknemers medebeheer zien zitten (terwijl werknemers in andere bedrijven geen vragende partij zijn), geef de enthousiastelingen de mogelijkheid om medebeheer aan te vragen, zonder het op te leggen aan alle bedrijven.

Geef werknemers en hun werkgever de ruimte om te experimenteren met meer en beter overleg, maar doe dat in een gecontroleerde omgeving via onderhandelingen en beperkt in de tijd. Zo kunnen we de koudwatervrees aanpakken en inspiratie krijgen voor hoe we het sociaal overleg van de toekomst kunnen vormgeven.  Concrete praktijkervaring is de beste leermeester.

Dit stuk verscheen eerder bij De Tijd. Lees hier de studie van Stan De Spiegelaere over het sociaal overleg op ondernemingsniveau.

Een vakbond op de werkplek maakt het verschil

Hoe progressief wordt de regering-De Croo?